Je kon de sneeuw horen vallen

Hans Warren 75 jaar. In Provinciale Zeeuwse Bibliotheek, Kousteensedijk 7, Middelburg. T/m 26/10.

Ik ging naar de Noordnol. Natuurdagboek. Uitg. Bert Bakker, prijs ƒ 34,90.

Op zondag 7 januari 1951, in Amsterdam, gaf Jan Wolkers aan Hans Warren een portretkop van Sibylle cadeau, de toenmalige geliefde van Wolkers. Warren schrijft in zijn Geheim dagboek, deel III: “Ik wil hem graag hebben. Het is de enige afbeelding die ik van Sibylle heb, ik bezit zelfs niet één fotootje van haar.” Sibylle was een vrouw naar wie iedereen omkeek: nobel, wonderlijk, goed opgemaakt.

Ik had niet verwacht de kop ooit in het echt te zien. En ineens ontdekte ik haar op de expositie Hans Warren, 75 jaar in de Provinciale Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg. Het beeld, uitgevoerd in gebakken leem, heeft een klassieke uitstraling. De kleur is terracotta; het materiaal wekt de indruk broos te zijn. De wat droeve, elegische gelaatsuitdrukking zou zo voor het omslag van O'Neills toneelstuk Mourning becomes Electra gebruikt kunnen worden.

De smaakvol ingerichte tentoonstelling biedt meer verrassingen. Niet alleen Jan Wolkers is een dubbeltalent, ook Hans Warren. Dat hij vogels in de natuur schetste, vooral op een strekdam bij Borssele die de Noordnol heet, wist ik uit de dagboeken. Nu hangen ze er in het echt: ogenschijnlijk vluchtige schetsen van al die ranke zangers en strand- en zeevogels die zo door de dagboeken vliegen en dwarrelen. Ze zijn levendig en natuurgetrouw neergezet, in de beste traditie van Nederlandse vogeltekenaars als Rein Stuurman van het onvolprezen determineerboek Zien is kennen! Onlangs verscheen onder de titel Ik ging naar de Noordnol Warrens natuurdagboek 1936-1942 waarin de vijftien- tot eenentwintigjarige zijn observaties van vogels, stemmingen en weersgesteldheden vastlegt. Het speelt zich af in het verloren paradijs aan de voet van de dijk bij Borssele. De weelde van toen is ondenkbaar nu. Ook de waarnemingen lijken bij een andere, voorbije tijd te horen. Het is ondenkbaar dat een eenentwintigjarige nu een januaridag in vergelijkbare bewoordingen zou beschrijven als Hans Warren deed in 1942: “De winterperiode is niet echt voorbij. Vandaag flinke sneeuwbuien. Het was heel stil buiten, je kon de sneeuw horen vallen, een fijn, rieselend geluid. Het leek eerder iets in je hoofd, een ijl oorsuizen. Maar bij een neerzwiepende windvlaag was het geruis direct veel sterker. Nog harder ruiste het voorbijschuivende, licht kruiende zeeijs.”

Een jaar later, in 1943, schilderde Hans Warren olieverven en gouaches. Hij blijkt goed op de hoogte te zijn van de vereiste technieken. Hij kan het parelmoer op de hals van sierduiven echt laten glanzen. Uit de dagboeken spreekt een schilderkunstige belangstelling die zich concentreert op de achttiende en vooral laat-negentiende eeuw. Warrens eigen schilderijen zijn vooral portretten en bloemstillevens; op de expositie is maar een kleine selectie te zien. Naar het schijnt staan er tientallen op de zolder van het huis in Kloetinge.

Er hangt een stilleven dat meteen de aandacht trekt. Tegen een fluweeldonkere achtergrond staan een kan, een stormlantaarn, een kruik, een tak gedroogde bloemen. Er is een helder oplichtend, met al het donker rijk contrasterend wit doek uitgespreid waarop de voorwerpen staan. Er zit veel dieprood en ook blauw in het doek. Bovendien: het is fors. Hans Warren was tweeëntwintig toen hij het schilderde en uit niets blijkt dat hij het stilleven aarzelend heeft opgezet.

Ineens is hij gestopt met schilderen. Het schrijven van gedichten en dagboeken bleek sterker te zijn. Toch zou het mooi zijn als al zijn werk eens tentoongesteld zou worden.

Morgen wordt Hans Warren 75 jaar. Op 20 oktober 1941 schreef hij in Ik ging naar de Noordnol: “Mijn twintigste verjaardag... Uit die stippeltjes blijkt al dat ik me niet bijster gelukkig voel. Maar ik streef ernaar dat dit zoveel mogelijk een zuiver natuurdagboek blijft, en het doet er dus niet toe, waarom.” Hij had toen het gevoel 'leeg voor het leven' te staan. Uit de expositie in Middelburg, waar ook veel hangt uit Warrens particuliere bezit, handschriften en eerste drukken, spreekt dat hij uit dat besef ondanks alles een krachtige consequentie heeft getrokken: de poëzie en de natuur trouw blijven. Warrens natuurdagboek roept op zintuiglijke manier een verloren wereld op van geuren en kleuren, van vogels en stemmingen die bij eertijds hoorden.