Hier en daar een bui

Het weer is omgeslagen. Dat zal niemand ontgaan zijn, maar echt meegemaakt hebben de meeste mensen het niet; de meeste stadsmensen niet, tenminste. Het is misschien ook rustiger zo, zonder al die voornemens van forse bos-, strand- en heidewandelingen waar het toch niet van komt.

Een week of twee heeft het nog nagezomerd, een toegift, of meer een compensatie achteraf, nadat bij de verrekening van zonuren een ernstige achterstalligheid gebleken was.

In de Verenigde Staten heet zo'n periode van mooi weer in de late herfst een Indian summer. In de woorden van de Random House dictionaire 'a period of mild, dry weather usually accompanied by a hazy atmosphere.' Dat komt goed overeen met de weersomstandigheden van de afgelopen weken hier. Maar het gaat vooral om 'mild' en 'hazy', zacht en heiig dus, en ook wel nevelig, wazig, dampig, mistig. En toch droog en zonnig.

Als je uit het niets zou ontwaken, zonder besef van tijd en plaats, zou je toch meteen weten dat het nazomerde in herfsttijd. Dat zou je merken aan de lage zonnestand, en nog aan iets anders: al was het overdag behaaglijk, er was een vermoeden van kilte. Dat komt volgens mij omdat de gesteenten van de stad, het plaveisel en het baksteen, al verkild zijn en tegen de zon in nog hun kou afgeven.

Wat die nazomer kenmerkt is het scheve, laag invallende licht. Dat wordt door de breedtegraad bepaald, en zou dus overal rond vijftig graden noorderbreedte hetzelfde moeten zijn. Daar komt nog iets bij: de nabijheid van de zee. Die maakt het vochtiger, maar geeft ook een lichtweerkaatsing over de hele laagvlakte. Het licht moet dus weer anders zijn in de buurt van een hooggebergte. Dit zou allemaal nauwkeurig moeten worden uitgezocht en in subtiele tinten kunnen worden weergegeven in een Lichtatlas van de Gehele Aarde. In iso-fotische gebieden, waar dezelfde lichtlijnen lopen, voelen de Nederlanders zich vanzelf thuis, en als ooit de wens tot emigreren of de noodzaak tot vluchten zich voordoet, kunnen ze nog het beste naar zulke streken vertrekken.

De Nederlandse weersgesteldheden moeten zich al vele duizenden jaren telkens op dezelfde wijze herhaald hebben. En dus is daaraan nu nog na te voelen hoe mensen zich indertijd hebben gevoeld. Het is ook aan de Amsterdamse binnenstad af te zien, op wat voor weer en wat voor licht die herenhuizen eens gebouwd zijn. Niet voor de hoge zomertijd en ook niet echt voor barre winters. Amsterdam is gebouwd op het helle, lage licht dat 's zomers invalt na een lange, hete dag of dat in nazomertijd bijna de hele dag blijft duren en dat na de winter opeens verschijnt met lange schaduwen op straat, en dan heel kort pal op de gevels staat.

Aan weersbeschijvingen wordt tegenwoordig niet veel tijd meer verspild. Uit de literatuur zijn ze vrijwel geheel verdwenen, en ook de aanblik van het landschap of het uiterlijk van de personages krijgt daar niet meer de aandacht die er in de negentiende-eeuwse romans aan werd besteed. Het is nu allemaal veel beter en veel sneller weer te geven met foto, film en video. Zoals het realisme uit de beeldende kunst verdwenen is, zo komt ook de verwoording van wat te verbeelden is, niet meer voor in de literatuur.

In plaats van weersbeschrijvingen krijgt het publiek een weersvoorspelling, en dan verbeeld, niet zoals de mens het hier beneden ziet, maar zoals het er van boven uitziet voor een denkbeeldige ruimtevaarder die trager dan de tijd reist, want de weergave is in versnelde computersimulatie.

Eerst werd daar nog een weerkundige voor aangetrokken, die wat schoolmeesterachtig stond te schutteren met een aanwijsstok, maar tenminste ongekunsteld vertelde wat voor depressies en koudefronten uit de Sahara of Siberië in aantocht waren. Die presentatie is inmiddels opgeklopt en op de zenders, kabels en kanalen is nu het woord aan malle weermannetjes, liefst met een innemend spraakgebrek, vertederende haaruitval en een hartverscheurend kakatoekleurig kostuum. In Amerika worden daar al dikkerdjes en dwergen voor uitgekozen, dat maakt het weerbericht nog leuker. Maar ook hier klinkt steeds vaker de toon van terminale hypomanie, waarop een kleuterleidster na drie weken verregend kinderkamp de kleintjes oproept om toch nog maar weer een keer te gaan zaklopen.

Televisie is voor arme mensen, dat begrijp ik ook wel. Kosten en moeite worden gespaard bij die programma's. Het moet allemaal in een vloek en een zucht. Meteen buiten het beeldkader zit de boekhouder te letten op de kleintjes.

Maar een mooi weerbericht, hoe zou dat eruit zien? Elke dag wordt een schrijver, een schilder of een danser gevraagd die de gesteldheid van de dag weet weer te geven. In het Nederlands klimaat zouden Maarten 't Hart en Koos van Zomeren vaste verschijningen zijn en een groot aandeel is ook weggelegd voor Van het Reve (die een smoorhete zomerdag eens beschreef als 'een pikstaanderig weertje').

Het Nederlands talent leent zich in het algemeen bij uitstek voor kwakkelweer, motregen, wisselende bewolking en een verhoogde kans op neerslag. Er is een schaarste aan mooiweerspelers in kunst en letteren, aan warme, zonnige, onbewolkte kunstenaars, en daar is dan nu meteen een verklaring voor.

Voor deze tijd van het jaar zijn schilders en fotografen het meest geschikt want alles moet komen van heel kleine variaties in de grijzen en grauwen van de lucht. Wintertijd is typisch iets voor beeldhouwers.

Zo in april verschijnt tot ieders opluchting Harry Mulisch, de lucht klaart op, er waait een vroege lentebries. Het wordt de tijd van het jaar voor Willem Breuker, Jan Wolkers, en als hevig onweer voorspeld is, Peter Schat.

Zolang het zover nog niet is, blijft er een alternatief: naar buiten kijken.