Het dorpsplein van Pyla is de laatste ontmoetingsplaats van Grieken en Turken; Cyprus op sterk water

'Twee of drie van jullie voor één van ons', is de koers op Cyprus. Sinds augustus zijn er zo al vier doden gevallen op de grenslijn tussen het Turkse en het Griekse deel van het eiland. Al 32 jaar probeert een VN-macht een 'vreedzame en harmonieuze coëxistentie' te handhaven. Maar het haat-evenwicht wankelt. 'Als wij hier morgen weggaan is het overmorgen oorlog.'

'Hoe heet je? Ik hoor dat je Turks spreekt.''

“Osman.”

“Waar kom je vandaan?”

“Cyprus, ik ben hier geboren...” Het volgende moment lag Osman languit op de grond, hevig bloedend uit een gescheurde wenkbrauw. Hij had zijn zin niet eens kunnen afmaken.

“Vuile leugenaar”, hoorde hij zijn Grieks-Cyprische belager roepen. “Er wonen geen Osmannen op Cyprus!”

Voorzichtig, zoals een kapper dat zou doen, draait Kemal Tekogül het hoofd van Osman een kwartslag naar de avondzon. Kijk! De hechtingen zijn eruit, maar boven z'n linkeroog zit nog een korst met gele randen.

Kemal, 64 jaar oud, is de kantinebaas van de sportclub van Pyla. Hij is zichtbaar trots op zijn martelaar. Osmans oog, zegt hij, is het bewijs dat niet de Turken maar de Grieken barbaren zijn. Maar begrijp hem niet verkeerd: niet alle Grieken hebben een kwaaie inborst. “Zie je daar dat huis met die blauwe luiken? Daar woont Petros”, zegt Kemal. “Petros is mijn vriend.”

Het huis met de blauwe luiken ligt net als alle gebouwen van Pyla ingeklemd tussen een mijnenveld uit 1974 - dat is afgezet met een kniehoog hekje - en een ongenaakbare rots. De Turkse Republiek Noord-Cyprus, die alleen door Ankara wordt erkend, loopt tot aan het puntje van het massief. Daar zie je Turkse soldaten, je hoort hun stemmen, holle klanken die zich vermengen met het tsjirpen van de krekels. Naast hun uitkijkpost staat de schim van Atatürk - uitgesneden in plaatstaal - zodat het lijkt of de vader des vaderlands persoonlijk wachtloopt. Beneden in de stofvlakte op vijfhonderd meter van de rots patrouilleren Grieks-Cyprische gardisten: vierkante mannetjes in kogelvrije vesten met een automatisch geweer op de heup.

In het niemandsland tussen de twee legers in liggen de huizen van Pyla. Als gemengd Grieks-Turkse nederzetting in de door de Verenigde Naties bewaakte bufferzone is het een bezienswaardigheid. Het dorp ligt pal op de 186 kilometer lange Groene Lijn die het eiland nu al 22 jaar verdeelt en is de enige plek waar Grieken en Turken met elkaar contact maken. Meestal gaat het goed, maar de laatste weken knettert het.

De twee straten heten 'major road' en 'bypass road' - een echo uit het Brits-koloniale verleden. Nummers zijn er niet; de postbode kent alle 450 Turken en 900 Grieken van het dorp bij naam. Onder het wakend oog van Oostenrijkse VN-soldaten in Observatiepost 129, een betonnen huisje dat hoog boven het dorpsplein uittorent, leven Grieken en Turken hier zij aan zij.

Pyla is de toonzaal van het succes en het nut van het VN-leger, de vredesmacht die in 1964 als interim force naar Cyprus was gestuurd om vervolgens nooit meer weg te gaan. Zeven Ierse VN-agenten en 35 Oostenrijkse blauwhelmen handhaven in Pyla “de vreedzame en harmonieuze coëxistentie van de twee gemeenschappen”.

Wat is de balans van 32 jaar 'confidence-building'? Kunnen de VN bijeenvoegen wat de geschiedenis heeft gescheiden?

Domperjaar

Cyprus, zeggen doorgewinterde peacekeepers, dat is Bosnië twintig jaar later. Of die bewering tot vreugde of verdriet zou moeten stemmen, hangt af van wat je onder 'Cyprus' verstaat. De Verenigde Naties schuiven 'Cyprus' graag naar voren als een voorbeeld van geslaagde peacekeeping. De vrede die nu al twee decennia op het eiland heerst is weliswaar een gewapende vrede, maar toch: een vrede. En zeker in vergelijking met de onmacht van de VN-troepen in Rwanda, Somalië of Bosnië slaat de 1.200 man sterke United Nations Force in Cyprus geen gek figuur.

Maar de Amerikanen vinden de status quo “te kostbaar voor de VN en te kostbaar voor de VS”. De half miljoen gulden per dag die de operatie kost is niet veel voor een paar weken of maanden, maar 180 miljoen per jaar, tientallen jaren lang en zonder uitzicht op een einde, dat loopt uit de hand. Met enige bravoure had Richard Holbrooke, de architect van de vredesakkoorden van Dayton, 1996 uitgeroepen tot the year of the big push on Cyprus. Het werd tijd dat iemand de harde Griekse en Turkse koppen tegen elkaar zou knallen. Had zijn nuchtere, a-historische aanpak op de Balkan niet ook een doorbraak geforceerd? Holbrooke wilde in januari tussen Nicosia, Athene en Ankara gaan pendelen, maar zag daarvan af toen bleek dat zijn reputatie, die hem vooruitgesneld was, de regio in rep en roer bracht.

De Amerikanen zijn pro-Turks, vrezen de Grieken. Ze hebben liever Europese bemoeienis. De Europeanen zijn pro-Grieks, zeggen de Turken. De Cyprische leiders, Grieks en Turks, trekken vieze gezichten als ze het woord 'oplossing' in de mond nemen. Hun posties lijken onwrikbaar, in ieder geval hebben de meer dan zestig VN-resoluties over Cyprus de partijen geen millimeter dichter bij elkaar gebracht.

Toch melden zich jaar in jaar uit nieuwe bemiddelaars, meestal de tijdelijke voorzitters van de Europese Unie, maar geen van allen durft aan het Grieks-Turkse evenwicht te morrelen. Ze toeren over het eiland en mijden met zorg het van propaganda doortrokken Museum van de Barbarij (in Turks Nicosia), zoals ze ook het Museum van de Huiver (in Grieks Nicosia) links laten liggen. Wat doen ze wel? Ze brengen een bezoek aan Pyla - het fossiel uit de tijd dat de twee etnische groepen nog gordiaans met elkaar vervlochten waren. Aan de hand van de twee burgemeesters, de een Grieks, de ander Turks, bewonderen ze het laatste stukje multi-etnisch Cyprus. Zo zou het moeten! Zo gaan beschaafde volken met elkaar om. In hun toespraakjes aan het einde van de rondleiding refereren ze aan de neergehaalde Berlijnse Muur, prijzen Pyla en zeggen dat ze onder de indruk zijn.

Maar waarvan precies zijn ze onder de indruk?

Gemeten naar het aantal Groene-Lijn incidenten is 1996 een domperjaar voor Cyprus. Sinds 1989, toen 8.000 Grieks-Cyprische vluchtelingen van de Vrouwen Lopen naar Huis-beweging met witte vlaggen de bufferzone binnendrongen, is de atmosfeer niet meer zo benauwd geweest als de laatste maanden. In 1989 schoten de Turken zonder pardon een Griekse soldaat dood die in een gebaar van opperste minachting zijn broek had laten zakken. In augustus dit jaar knuppelden ze een Griekse relschopper dood en schoten een paar dagen later diens neef, die de Turkse vlag wilde neerhalen, uit de vlaggemast - ook dood. Een maand later stierf een Turkse soldaat toen een militaire post bij de demarcatielijn werd beschoten. En vorige week zondag schoot de Turkse grenswacht opnieuw een Griek dood toen hij, verdwaald geraakt bij het slakken zoeken, de Groene Lijn passeerde.

Op Pyla heeft deze opflikkering van geweld haar uitwerking niet gemist. Een partijtje voetbal tussen de Turkse en de Griekse voetbalclub is ondenkbaar. “Stel je voor”, zegt Kemal omstandig, “dat een Turk een Griek tegen z'n schenen schopt? Of andersom!” Suggereer niet dat de kantinebaas overdrijft. Denk ook niet dat een gele of een rode kaart de zaak kan afdoen. “Want wat de beslissing ook zal zijn, de scheidsrechter is òf Grieks, òf Turks...” Voor je het weet is een futiliteit uitgegroeid tot een internationaal conflict.

Wat gebeurt er als een Turks schip op een rots in de Egeïsche zee loopt? De kapitein weigert Griekse hulp, want volgens zijn zeekaart ligt de steenklomp in Turkse wateren. Athene bestrijdt dat: kijk, er wappert een blauwwitte vlag. Een Griekse vlag op Kardak? Nee, niet op Kardak, op Imia! Dàt is de naam van het onbewoonbare eiland. Imia is Grieks. De volgende dag laten Turkse journalisten zich per helikopter op Kardak/ Imia afzetten en planten er de Turkse vlag. De Griekse marine maakt dat 24 uur later ongedaan en nu stomen er Turkse oorlogsschepen op. Het is de nacht van 30 op 31 januari; de Europese leiders houden hun adem in, zonder zich te verroeren, maar godzijdank belt president Clinton met Athene en Ankara en net op tijd trekken de beide NAVO-partners hun kanonneerboten terug.

“Onze vloek is de disproportionele vergelding”, zegt Ibrahim Aziz op een toon van berusting. Hij weet hoe het escalatie-mechanisme werkt. 'Oog om oog, tand om tand' heet in Bosnië 'een hoofd voor een hoofd', de Cyprioten zeggen 'één van jullie voor één van ons'. Aziz snuift. In werkelijkheid, zegt hij, is het 'twee of drie van jullie voor één van ons'.

De 55-jarige Aziz spreekt uit ervaring. Bij de deling in 1974 was hij als een van de 300 Turken achtergebleven in Grieks Cyprus. In het Turkse deel wonen nog 800 Grieken, de meesten van hen bejaarde boeren en boerinnen. Als de twee minderheden door natuurlijk verloop uitsterven, waar het naar uitziet, dan is de etnische scheiding voor de volle honderd procent voltooid en heb je alleen nog Pyla.

Dorpenoorlog

Om te laten zien waartoe de Cyprische kettingreactie kan leiden zal Aziz, die landbouwkundige is, je meenemen naar Agios Sozomenos. Dat dorp vertelt van de rampspoed die het eiland heeft getroffen. Net als Pyla ligt het aan de voet van een rots bij de Groene Lijn. Het staat op de verkeersborden aangegeven: eerst rechtdoor, nog 5 km, een pijl naar rechts, daar is het. Het grote verschil met Pyla is dat Agios Sozomenos niet meer bestaat.

Er wonen alleen krekels en slangen. De huizen zijn door de wind en de regen uitgeslepen tot een doolhof van zandkleurige muurtjes, die geen daken meer dragen. Op de patio's groeien distels. Baksteen of beton zie je nauwelijks, er is gebouwd met blokken leem, vermengd met as en stro. Het dorp is een rommelig Pompeji, maar dan met een reclamebord voor Toyota-onderdelen. Spoken doet het er sinds 1964. In januari van dat jaar, zegt Aziz, zijn er bij de waterput vier Grieken in een hinderlaag gedood. De aanslag was een vergelding voor de laffe moord op twee Turken elders op het eiland, hetgeen een wraakactie was voor de mysterieuze dood van een Griek, weer ergens anders.

Agios Sozomenos was een etnisch gemengd dorp tot 1959, het jaar dat voorafging aan de onafhankelijkheid van de Britse kroon. In die tijd spoelde de eerste golf van gedwongen volksverhuizingen over het eiland. Gemengde dorpen werden òf Grieks, òf Turks. De vijftig Griekse dorpelingen lieten hun orthodoxe kerkje en hun beschermheilige in de steek en verhuisden naar Potamia, het overwegend Griekse buurdorp waar de familie Aziz woonde. Vijf jaar bleef het rustig, Ibrahim Aziz maakte de middelbare school af en ging landbouw studeren in Bulgarije. Zo ontsnapte hij aan de 'dorpen-oorlog' van 1964.

Om Agios Sozomenos te straffen voor de slachting bij de waterput hadden Griekse boeren het dorp aangevallen. Bij de vuurgevechten die volgden was een onbekend aantal Turken omgekomen, terwijl aan Griekse zijde een jonge scholier, Hamatsos, in een toevallig passerende bus was getroffen door een afgedwaalde kogel. Een onschuldige schooljongen! Dat kon niet ongewroken blijven - en daarom was Aziz' neef uit Potamia samen met een tiental anderen bij een razzia meegenomen en verdwenen.

Langs de kant van de weg staat nu een koperen Hamatsos met een geweer in de ene en een lesboek in de andere hand. Gevallen voor de zaak van énosis. Aziz zegt schamper dat Grieks-Cyprioten altijd sneuvelen voor énosis (aansluiting van het eiland bij Griekenland) zoals Turk-Cyprioten steevast hun leven geven voor taksim (opdeling).

Britse troepen, bijgestaan door pas gearriveerde VN-soldaten, waren tussenbeide gekomen en hadden Agios Sozomenos ontruimd. Ze evacueerden de inwoners naar Louroukina, een paar heuvels verderop, waardoor Louroukina een Turkse enclave werd temidden van Griekse dorpen. Nu gunde de geschiedenis het eiland tien jaar rust, maar in de zomer van 1974 stak de etnische furie opnieuw op. In Athene beleefde de kolonelsjunta haar nadagen. Maar als een stervende die vlak voor zijn dood nog eenmaal zijn vitaliteit tentoonspreidt, zo hielp het militaire bewind op 15 juli van dat jaar de Grieks-Cyprische ijzervreter Nikos Sampson aan de macht in Nicosia. Vijf dagen na diens staatsgreep landde het Turkse leger op de Noord-Cyprische kust en walste in korte tijd over 37 procent van het eiland. Een vredesoperatie, zeiden de vasteland-Turken. De tanks dreven zo'n 180.000 Grieks-Cyprioten als vee voor zich uit, terwijl naar schatting 50.000 Turks-Cyprioten naar het noorden vluchtten. Twee dagen na de invasie kwam Sampson al ten val. Zijn heerschappij had amper een week geduurd, maar het gevolg was wel dat Cyprus door een lint van prikkeldraad en mijnen in tweeën was gesplitst.

Toen de wapens zwegen en het stof neerdaalde werd de frontlijn omgevormd tot een hermetisch gesloten grens tussen Noord en Zuid. Potamia - waar Aziz was ondergedoken bij Griekse buren - bleek in het Griekse deel te liggen. Louroukina was met een lus bij Turks Cyprus getrokken. Agios Sozomenos was al ontvolkt en zou nooit meer tot leven komen.

Pyla, dat aan een Britse legerbasis grenst, was de dans van de oorlog ontsprongen. Als een twijfelgeval waar niemand iets mee wist te beginnen (was het Griek of Turks?), belandde het in de bufferzone en kreeg het z'n status aparte. In 1975 was de 'major road' het decor van de uitruil van bevolkingsgroepen: hier passeerden berooide Turken en Grieken eenmalig de scheidslijn om zich op 'hun' deel van het eiland te vestigen.

Pyla is Cyprus op sterk water. De VN-macht heeft er 22 jaar geleden een stolp over gezet en sindsdien is het dorpsplein het enige trefpunt van Noord- en Zuid-Cyprus. Het grijze gebied oversteken is onmogelijk: de enige Cyprioten die aan weerszijden van de Groene Lijn mogen reizen zijn de 450 Turkse inwoners van Pyla - hun Griekse dorpsgenoten hebben dat voorrecht niet.

Koorddansen

Petros de Griek, de eigenaar van visrestaurant Petros, kan een lichte verbazing niet verbergen. “Heeft Kemal gezegd dat hij mijn vriend is?” Geamuseerd maar zonder iets te zeggen serveert hij een schaal calamares.

“Tùrkse calamares”, zegt Yiannis Papadakis, die geregeld bij Petros eet. “Dat wil zeggen: calamares uit Turks Cyprus.”

Yiannis vertelt dat de zee aan de Grieks-Cyprische kant door de Britten is leeggevist met springstof, waardoor het lastig is om de talrijke toeristen in het zuiden (meer dan twee miljoen per jaar) verse vis voor te zetten. Maar geen nood. De Pyla-route past daar een mouw aan: via twee of drie tussenhandelaren vinden garnalen, kreeft en sardientjes hun weg naar het vis-arme Griekse landsdeel. Yiannis zegt dat de VN de smokkelpraktijk gedogen omdat het “de enige CBM is die werkt”.

“CBM?”

“Dat is VN-jargon”, zegt hij. “Ik bedoel: Confidence Building Measure.”

Yiannis, 32, heeft een doctorsgraad in de sociale antropologie en doet hier al bijna een jaar veldonderzoek voor de Universiteit van Cyprus. Iedere dag ontdekt hij dingen die hij nog niet wist, want Pyla geeft zijn geheimen niet zomaar prijs. Het had hem weken gekost voordat hij begreep dat Kemal de vaste visleverancier was van Petros.

Om het dorpsleven in Pyla in balans te houden, zegt Yiannis, heb je van alles twee. Er is een Grieks-orthodoxe kerk en een moskee, een Turkse school en een Griekse, een Turkse sportclub en een Griekse. Je hebt er ook twee economieën. De Turken zijn het rijkst, omdat die in het rijke zuiden plegen te werken (waar het per capita inkomen vier keer hoger ligt) en in het noorden inkopen doen. Omdat de Griekse gemeenschap van Pyla niet goedkoop kan winkelen (ze mogen de noordgrens niet over) is zij minder rijk. Dat is een onevenwichtheid, die weer wegvalt tegen de onevenwichtige getalsverhouding van twee Grieken op een Turk.

Yiannis schrijft een boek over Pyla dat 'Leven in de dodenzone' gaat heten. De conclusie: wie zich in het dorp staande wil houden, moet leren balanceren. Dat geldt ook voor de onderzoeker. Als Yiannis het dorpsplein oversteekt van het Turkse koffiehuis naar het Griekse, dan doet hij eerst de Happy Bar aan. De uitbater daarvan is een hippie en zijn etablissement geldt - net als de Adidas Peace Shop - als neutraal terrein. Zo bewaar je het etnische evenwicht en dat is alles waar het in Pyla om draait.

Ook Petros beweegt zich als een koorddanser. Hij vindt zichzelf een 'gematigde Griek', dat is het beste voor zijn nering, maar over zijn opvattingen wil hij niet praten. Wel komt hij bij de koffie een ingelijste zwart-wit-foto laten zien, die hij eerst zorgvuldig met zijn mouw afstoft. Het is Kemal, breed lachend, zijn buik naar voren gestoken, poserend als ober in restaurant Petros.

Kemal levert niet alleen illegale vis, legt Yiannis uit, maar op drukke dagen valt hij ook in als ober. Want als een Turks gezelschap zich misdraagt, dan is Kemal de aangewezen persoon om de boel te sussen. Zijn er lastige Griekse gasten, dan kan Petros het alleen wel af.

Vlaggen

De Ierse VN-agenten en Oostenrijkse VN-soldaten, die 24 uur per dag vanuit hun wachttorens op het dorp neerkijken, zorgen ervoor dat het evenwicht bewaard blijft. Een bouwvergunning geven ze alleen af als die “de etnische relatie niet negatief beïnvloedt”. Mogen de Turken een minaret bij de moskee oprichten, dan krijgen de Grieken toestemming voor de bouw van een tweede kerkje.

Ingewikkelder zijn de voorschriften voor het uithangen van de vlag. Ter voorkoming van intercommunale spanning is het uithangen van nationale of politiek beladen vlaggen verboden. Uitzonderingen: 1) één Griekse vlag op de Griekse school (permanent); één Turkse vlag op de Turkse school (permanent). 2) Bij het Griekse koffiehuis aan het plein, hetzij de Griekse hetzij de Grieks-Cyprische vlag (van zonsopgang tot zonsondergang op 25 maart, 1 april en 28 oktober). Bij het Turkse koffiehuis aan het plein de Turkse nationale vlag van zonsopgang tot zonsondergang (op twee wisselende feestdagen en 30 augustus).

En de geschilderde blauwwitte vlag op de fries van het Griekse koffiehuis? Dat is een zogeheten permanent violation. De Grieken peinzen er niet over om dat symbool weg te halen, ze zeggen dat het een tegenwicht is voor een andere, veel zwaardere overtreding: de Turks-Cyprische controlepost op de berg die een paar meter binnen de bufferzone staat, in plaats van erbuiten.

“Wat wij in stand houden is het haat-evenwicht”, zegt de rossige Ierse VN-agent die op het terras van Petros neerploft. Over de 'vreedzame en harmonieuze coëxistentie' die de VN in Pyla zegt te willen handhaven, is hij schamper. “Als wij hier morgen weggaan is het overmorgen oorlog.” Zijn dienst zit erop, in zijn besproete handen houdt hij een koud glas bier.

Het Ierse VN-politieteam van Pyla is belast met het onderzoek naar de dood van de Griek Tassos Isaac, die op 11 augustus was doodgeknuppeld. Isaac had meegedaan aan een optocht van motorrijders dwars door de Groene Lijn. De Turkse politie had honderden jongeren, waaronder extreem-rechtse Grijze Wolven, in bussen naar de confrontatielijn gereden. Met knuppels en ijzeren staven stonden ze de demonstranten op te wachten.

Isaac stierf volgens de lijkschouw aan 'meervoudige stomp-verwondingen op het hoofd'. Toen Solomos Solomou, een neef van Isaac, na de begrafenis in een mast klom om de Turkse vlag te roven, kreeg hij een Turkse kogel in zijn nek. De aartsbisschop van de Grieks-orthodoxe kerk op Cyprus noemde Isaac en Solomou 'verzetshelden', terwijl de Turkse regering dreigde “de handen af te hakken” van iedereen die aan de Turkse vlag zou komen.

De crisis groeide ditmaal niet uit tot een gevaarlijk Grieks-Turks conflict, maar heeft wel het Cyprische evenwicht wreed verstoord. Sinds 'de gebeurtenissen van augustus' gaat er bijna geen dag voorbij waarop er geen schoten klinken. Ibrahim Aziz uit Potamia voelt zich onbehaaglijk, om niet te zeggen onveilig. Er zijn drie Grieken gedood tegen één Turk, dat zijn dus twee of misschien wel vier openstaande rekeningen. “Elke Turk in Grieks Cyprus is nu in principe vogelvrij”, zegt hij. Namens Potamia, waar dertig Turken wonen, heeft Aziz in Nicosia een gesprek gevoerd met de minister van justitie en openbare orde. Of hij hun veiligheid kon waarborgen? De minister had gezegd van wel, maar Aziz heeft voor de zekerheid een onderduikadres geregeld - bij dezelfde Griekse familie bij wie hij zich in 1974 had mogen verbergen.

Het geweld heeft ook Pyla ontwricht. Osman was tegen de grond geslagen omdat hij Osman heette en omdat hij Turks sprak. Grieks-Cyprische jongeren, die met obsceen opgestoken vingers langs het Turkse koffiehuis liepen, kregen een regen van flessen over zich heen. De Griekse directeur van de tegelfabriek, waar twee Turkse vrouwen werken, was telefonisch bedreigd. Onbekende stemmen zeiden hem dat hij z'n Turkse medewerkers moest ontslaan. Toen hij daar geen gehoor aan gaf, was er ingebroken en stond de ontslag-eis de volgende dag op de muur geschilderd.

Omdat de Turken van Pyla 'voor hun eigen veiligheid' niet meer naar Grieks Cyprus mogen reizen, zijn ze hun baan kwijt. Voor augustus namen ze 's ochtends de lijndienst naar Larnaka, om daar te werken als strandwacht, in de bouw of in de horeca. De Griekse politie noteerde bij de uitvalsweg hun namen en streepte die 's avonds bij thuiskomst weer af. Maar nu komen ze niet meer voorbij de controlepost. De buschauffeur weigert te vertrekken als er in Pyla Turken instappen - in dat geval zet hij de motor af en vouwt hij de krant open op het stuur.

Pyla, bedoeld als antidotum tegen de etnische gekte, begint langzaam maar zeker z'n hoofd te verliezen. Kemal en Osman en al de jongens in de kantine van de Turkse sportclub keren demonstratief hun broekzakken binnenste buiten: de Griekse politie heeft ons beroofd van ons inkomen! Waar moeten we van leven? Maar hun Griekse dorpsgenoten voelen geen greintje medelijden. Zij mochten nog nooit naar het noorden ('het land van de Turkse apartheid'). Het reisverbod voor Turken maakt slechts een einde aan een schrijnende ongelijkheid! De Turken van Pyla hebben lang genoeg van twee walletjes kunnen eten; ze zijn rijk zat!

Zo'n houding pikken de Turken niet en daarom boycotten ze het restaurant van Petros en de Griekse winkeltjes. Nu de Turkse gasten wegblijven heeft Petros geen Turkse ober meer nodig. Begrijp hem niet verkeerd. Niet alle Turken hebben een kwaaie inborst. Kemal bijvoorbeeld - kijk hier staat hij lachend op de foto. Dat hij hier niet meer werkt, wil niet zeggen dat hij is ontslagen. Er is alleen tijdelijk geen werk, zegt Petros. “En als Kemal zegt dat hij mijn vriend is, dan is hij dat.”