Een nieuwe richting in Nederlandse archeologie; Sociaal levende maliënkolders

Al jaren woedt er een theoretisch debat in de Amerikaanse archeolo- gie. Dank zij twee bij- zondere archeologi- sche studies, wordt de discussie ook hier geopend.

A.M.J. Derks. Goden, tempels en rituele praktijken. De transformatie van religieuze ideeën en waarden in Romeins Gallië. Universiteit van Amsterdam. Promotie 3 september 1996

J. Bazelmans. Een voor allen, allen voor een. Tacitus' Germania, de Oudengelse Beowulf en het ritueel-kosmologische karakter van de relatie tussen heer en krijger-volgeling in Germaanse samenlevingen. Universiteit van Amsterdam. Promotie 4 november 1996.

IN 1962 VERSCHEEN Archaeology as Anthropology, van de Amerikaanse archeoloog Lewis Binford. Kernzin was: 'American archaeology is anthropology or it is nothing'. Binford hekelde de toen heersende archeologie, die volgens hem niet veel verder kwam dan beschrijving en classificering van gevonden objecten. De mensen daarachter bleven buiten bereik. De verklarende kracht van deze cultuurhistorische archeologie was ondermaats. Voor veranderingen in een samenleving wist men bijvoorbeeld niets anders te bedenken dan: invloeden van buitenaf. Hiertegenover zetten Binford en de zijnen een archeologie die samenlevingen met omgeving en al in het dagelijkse reilen en zeilen en in hun ontwikkeling moest gaan begrijpen.

Deze New Archaeology of processuele archeologie, met strenge methodische regels voor de verzameling van gegevens, leidde tot een groot accent op modellen, wetmatigheden en cijfers. Een reactie volgde dan ook snel: de post-processuele archeologie. Archeologen moeten samenlevingen uit het verleden niet van buitenaf bestuderen, maar van binnenuit. De betekenis die mensen zelf aan hun wereld, hun handelen en hun leven hadden toegekend, moet het uitgangspunt worden, met erkenning van de waarde van symboliek en de rol van het individu.

Ook de Westeuropese continentale archeologie, die altijd een eigen weg was blijven gaan, werd geraakt door deze Anglo-Amerikaanse ontwikkeling. Al gingen in Nederland de wenkbrauwen wel omhoog bij een aantal zaken die de New Archaeology als innovatie presenteerde. De aandacht bijvoorbeeld voor de natuurlijke omgeving van historische culturen was al lang een van de sterke punten van de Nederlandse archeologie. En hier bestonden verder ook grote bezwaren tegen de pretenties van Binford c.s. dat hij via de overblijfselen van de materiële cultuur samenlevingen uit het verleden bijna in hun volle omvang zouden kunnen kennen.

Niettemin, in de overtuiging dat het bij de antropologische richting die in de New Archaeology naar voren werd gehaald om dè antropologie ging, werd in ons land de toevoeging van andere antropologische gezichtspunten aan het archeologische arsenaal tot in de eerste helft van de jaren tachtig tegengehouden.

Maar dit najaar krijgt de Nederlandse archeologie met de dissertaties van J. Bazelmans en A.M.J. Derks een heel nieuw geluid te horen. Derks: “In de New Archaeology worden neo-evolutionistische modellen gehanteerd waarin men samenlevingen cross-cultureel vergelijkt. Dit gebeurt uit de gedachte dat ze allemaal dezelfde ontwikkeling doormaken, van vooruitgang, van progressie naar een complexer niveau.” Bazelmans, van huis uit antropoloog, vult aan: “Het accent ligt daarbij vooral op economie en politiek. En bij de analyse van die samenlevingen gebruikt men begrippen die wij vandaag hanteren om onze wereld te ordenen. Aangezien wij een specifieke historische ontwikkeling hebben doorgemaakt, is het de vraag of dat zomaar kan.”

Om deze redenen gaan Bazelmans en Derks uit van de structuralistische antropologie. Die probeert te achterhalen welke structuren ten grondslag liggen aan de vormgeving van samenlevingen. Veel aandacht wordt daarbij besteed aan de heersende ideeënwerelden en aan specifieke historische situaties. De structuralistische antropologie tracht eerst het wereldbeeld van een samenleving in kaart te brengen en vervolgens te begrijpen hoe mensen in termen van hun wereldbeeld handelden. Beide promotie-onderzoeken vonden plaats binnen het het Pionier-project 'Macht en Elite' van NWO.

Om door te kunnen dringen in een wereldbeeld uit het verleden bestudeerde Bazelmans overgeleverde historische verhalen. Een daarvan was het Oudengelse gedicht Beowulf. Het beschrijft de lotgevallen van de gelijknamige held die als volgeling van koning Hygelac met succes het monster Grendel en diens moeder bestrijdt. De monsters maakten het hof van de Deense koning Hrothgar onveilig. Als Beowulf later zelf koning is, overlijdt hij aan verwondingen, opgelopen in een gevecht met een draak die zijn eigen land belaagt. Geschenken en de uitwisseling daarvan spelen in de Beowulf een belangrijke rol.

Bazelmans: “In de neo-evolutionistische benadering wordt gezegd dat de schenker zijn macht vergroot door uit te delen, door op die manier mensen, zijn clientèle, aan zich te binden. De geschenken maken dan deel uit van een machtspolitiek spel. Maar in mijn analyse van het wereldbeeld in de Beowulf komt iets heel anders naar voren. De Franse antropoloog-socioloog Marcel Mauss heeft er in de jaren twintig al op gewezen dat het strikte onderscheid dat wij maken tussen de mens enerzijds en zijn materiële wereld anderzijds, helemaal niet eigen is aan niet-moderne samenlevingen. De materiële wereld leeft voor die mensen. Neem zwaarden, helmen en maliënkolders. Die worden opgegraven in vindplaatsen uit de Bronstijd tot ver in de middeleeuwen. In mijn dissertatie laat ik zien dat objecten als deze op de een of andere manier synoniem zijn met elementen die iemand tot een persoon, tot een mens maken. In de Beowulf beschikt een koning over een schat aan zwaarden, goud enzovoort.”

VOLWASSENHEID

Die schat, zegt Bazelmans, is het culminatiepunt van een heel lange geschiedenis waarin zijn voorgangers oorlogen hebben gevoerd, waarin ze zich eervol hebben betoond en waarin ze hebben bijgedragen aan de totstandkoming van die schat. “De koning geeft met eer beladen objecten uit de schat aan jongelingen. Hij verleent zwaarden, helmen, maliënkolders en maakt daarmee voor het eerst zichtbaar dat zij van adellijke afkomst zijn. Dat zij in potentie ook eervolle krijgers zullen zijn, dat zij zich in de toekomst zullen onderscheiden. De jongelingen gaan dan in dienst van de koning op expeditie, verrichten daden die weer oorlogsbuit opleveren, die terugvloeit naar de schat van de koning. Op het moment dat ze zich eervol hebben betoond, krijgen ze opnieuw geschenken van de koning. Daarmee worden ze dan volwassen en krijgen hun eigen heerschappij binnen de heerschappij van de koning. Je ziet in zo'n sequentie het over elkaar heen vallen van het uitwisselen van goederen en het construeren van een persoon, van zijn jeugd tot aan zijn volwassenheid. En dat gaat over de ouderdom heen, en over de grens van de dood als iemand toetreedt tot de rijen van de voorouders. De schenking maakt de persoon.”

Bazelmans' kijk op grafgiften wijkt sterk af van de visie van de processuele archeologie. Daar zijn grafgiften een afspiegeling van de sociale positie die de overledene innam tijdens zijn leven. Bazelmans: “Dat is precies zo'n aanname die meer zegt over onze samenleving, dan over een niet-moderne. Daar is de relatie met de wereld van de voorouders veel belangrijker dan het ondermaanse. Het grafritueel draait ook om de transformatie van levende personen naar die voorouderlijke wereld. Grafritueel en grafgiften zijn geen afspiegeling van het leven.”Het onderzoek van Derks gaat over de Noord-Gallische stam 'Remi', die zich al bij het eerste optreden van Caesar in Gallië aan de zijde van Rome schaarde en niet meer van die plek zou wijken. De relatie tussen Rome en de Remi is uit processuele hoek vaak geanalyseerd in termen van het patroon-cliënt systeem. De Remi leverden troepen aan Caesar en bepleitten in roerige tijden de Romeinse zaak bij andere Noord-Gallische stammen. Als wedergift kregen zij van Rome bijzondere bescherming en begunstiging. Derks: “Maar je kunt ook proberen om die relatie uit de wereld van de Remi en Rome zelf te analyseren en dan komen er heel andere beelden uit.”

POORT VAN MARS

Reims, de hoofdplaats van de Remi en van de Romeinse provincie Gallia Belgica, had monumentale poorten op de vier uitgaanswegen. Een daarvan, de Poort van Mars, was rijk versierd met reliëfs. Die verwezen naar de stichtingslegendes van Rome: de wolvin met Romulus en Remus en de herder die de tweeling heeft grootgebracht, Venus, Anchises en zijn zoon Aeneas. Wat deden die figuren daar? Derks: “Wel, ik ga er van uit dat de Remi net als elke andere inheemse groep in het Romeinse Rijk opvattingen hadden over de oorsprong van de wereld en van henzelf. Die begint gewoonlijk bij een naamgevende, mythische stamvader. Voor de Remi moet dat Remus zijn geweest. Dan ligt er natuurlijk meteen de link naar Romulus en Remus. Dat zij op die poort zijn afgebeeld kan er een aanwijzing voor zijn dat de Remi de Romeinse stichtingslegende op een heel eigen manier hebben geïnterpreteerd. Dat ze hun mythische stamvader Remus, die ze al hadden vóór de Romeinse tijd, identificeerden met de broer van Romulus en aldus de connectie konden leggen met de Romeinse wereld. Ze beschouwden zichzelf als tweelingstam van Rome, nazaten van dezelfde voorouders. Rome heeft dat gebillijkt. De relatie tussen de Remi en Rome, bekeken uit hun wereld, moet dus niet worden beschreven in de politiek-economische termen van patroon en cliënt, en uitgaan van ongelijkheid, maar in verwantschapstermen en uitgaan van gelijkheid. Zo zagen zij elkaar.”

Deze archeologie staat ver af van de dagelijkse praktijk met schop en troffel, gehanteerd onder het motto 'redden wat er te redden valt' in een niet aflatende stroom noodopgravingen. Archeologie is in Nederland op de praktijk gericht, een toegepaste wetenschap. In deze situatie blijft sinds jaar en dag weinig ruimte over voor een meer intellectuele benadering van de archeologie en van archeologisch erfgoed, ook aan de universiteiten. Bazelmans: “Iemand die midden in de praktijk-archeologie zit noemt onze aanpak showroom archeologie, gallery play. Daar heb ik geen enkele boodschap aan.”