Berichten uit de zachte sector

Een krantenkop: 'In Amsterdam spijbelt 30 procent'. Daaronder het bericht: “Van de 36.300 Amsterdamse tien-tot vijftienjarigen is iedere dag dertig procent wegens spijbelen niet op school. Dat blijkt uit het onderzoek 'Wie (niet) weg is, is gezien'. Hoe jonger de kinderen des te vaker zij spijbelen. Op de basisschool tien keer vaker dan in het voortgezet onderwijs. Vooral leerlingen met uitstekende schoolprestaties zijn onder de spijbelaars overtegenwoordigd. De hardnekkigste wegblijvers zijn te vinden op scholen waar over het algemeen weinig spijbelaars voorkomen.”

Het zou een interessant nieuwsbericht zijn en lezers aan het denken zetten over oorzaken en remedies. In feite stond op 3 oktober een ander bericht over dit onderzoek in de krant onder de kop: 'In Amsterdam spijbelt 3 procent'. In het bericht staat dat voor de genoemde leeftijdsgroep geldt dat in het voortgezet onderwijs tien keer vaker wordt gespijbeld dan op de basisschool, oudere leerlingen het vaker doen dan jongere, evenals leerlingen die niet mee kunnen komen - scholieren die een “leervertraging hebben opgelopen”, staat er eufemistisch - en dat er scholen zijn waar veel wordt gespijbeld.

Nieuwswaarde nul. Drie procent spijbelaars per dag is weinig. Dat leerlingen met gebrek aan leervermogen of interesse de school eerder voor gezien houden is een open deur. En dat er scholen zijn met relatief veel van dergelijke leerlingen of leerlingen bij wie de leermotivatie om allerlei sociaal culturele redenen ontbreekt, is ook bekend.

Dat oudere leerlingen vaker spijbelen is ook logisch, want zij zijn beter dan jongere leerlingen in staat tot afwegingen wat op een bepaald moment de voorrang heeft. Het is zelfs toe te juichen, want het zijn prille tekenen van toenemende autonomie en zelfstandigheid.

Men zou kunnen tegenwerpen dat het toch ook goed is dat vanzelfsprekendheden die iedereen al meent te weten in empirisch onderzoek worden bevestigd. De resultaten worden echter zo alarmerend gevonden - drie procent ! - dat de gemeente via een actieplan het spijbelen in vier jaar wil terugbrengen naar één procent.

Het enige nog wel interessante onderzoeksresultaat uit het bericht is dat hooggeschoolde Nederlandse ouders ongeoorloofd verzuim eerder goedkeuren dan laaggeschoolde Turkse en Marokkaanse ouders. Ook zij kunnen het belang van het bijwonen van een les ten opzichte van andere bezigheden waarschijnlijk beter relativeren.

De Amsterdamse Mondriaan Scholengemeenschap met 85 procent allochtone leerlingen maakt zo te zien een goede inschatting van dit culturele verschil. Blijkens een krantenbericht van 13 september informeert men met ingang van dit schooljaar de ouders via teletekst over roosterwijzigingen en huiswerk, zodat zij een betere controle kunnen uitoefenen. Bij autochtone ouders zou dat wel eens negatief kunnen uitpakken. Uit het recent in Leiden verdedigde proefschrift van Mariëlle Jacobs blijkt bijvoorbeeld dat er voor hen een negatief verband bestaat tussen een controlerende houding ten aanzien van huiswerk en de leerprestaties van hun kinderen in de brugklas.

Zelfde week, ook onderzoek, ander onderwerp, nog een krantenkop: '16 procent vrouwen dubt over kinderen'. Van Nederlandse vrouwen tussen twintig en veertig twijfelt zestien procent minstens een jaar over het krijgen van kinderen. Eerlijk gezegd vind ik dat die andere 84 procent er maar lichtvaardig over denken. Maar goed, enkele verrassende gegevens. Het zijn vooral alleenstaande vrouwen of vrouwen met een lat-relatie die twijfelen. En ook vrouwen met een hoge opleiding en hoge ambities zijn oververtegenwoordigd, omdat ze bang zijn hun vrijheid te verliezen en opzien tegen de combinatie van werk buitenshuis en zorg voor kinderen thuis. Om een oplossing te vinden praten ze erover met de eventuele vader. Toch is er iemand op deze non-kennis gepromoveerd, tot doctor in de psychologie.

Het aandoenlijkste onderzoeksnieuws uit de zachte sector van die week kwam echter uit Drente, waar men toegaf gegevens over zelfmoordgedachten bij de jeugd te hebben overdreven ten behoeve van subsidie en fondsenwerving. Denken over suïcide als verschijnsel wordt in onderzoek vaak niet onderscheiden van erover denken als een persoonlijke overweging. Daarvoor zijn de meestal in klassenverband afgenomen schriftelijke vragenlijsten ook niet geschikt. Evenmin als voor het onderscheid tussen incidentele dramatische fantasieën en herhaalde uit diepe wanhoop geboren doodsverlangens.

Het lijkt me echter vooral verkeerd dat “denken over” per se negatief wordt beoordeeld, alsof de zorgeloze jeugd zich niet met dit soort vragen behoort bezig te houden. Iedere normaal intelligente en enigszins gevoelige jongere denkt over alles in het leven na, dus ook over zelfdoding. Zeker nu er zo veel over wordt geschreven. Dan komen vanzelfsprekend gedachten op als 'Zou ik dat ook doen?' en 'Zou ik dat ook durven?'. En in tijden van emotionele narigheid: 'Is dit nou iets waarom mensen het doen?' Op een vraag als 'Heb je het laatste half jaar wel eens aan zelfdoding gedacht', wordt dan oprecht bevestigend geantwoord.

Het aantal jongeren dat suïcide pleegt is gelukkig klein. Maar de gevolgen voor de omgeving zijn rampzalig. Voor ouders nauwelijks om overheen te komen. Daarom is grote behoedzaamheid geboden en het onder het mooie mom van preventie opschroeven van percentages van potentiële problemen verwerpelijk.

En soms - zoals in Drente - gaat het mede om geld en dus werkgelegenheid voor onderzoekers. Want denk niet dat de zachte sector louter uit nobel idealisme wordt gedreven. Bij het Psychologisch Pedagogisch Instituut in Amsterdam, een hulpverleningsinstelling en crisiscentrum voor jongeren in psychische nood, zijn volgens Vrij Nederland van vorige week achtereenvolgende, mislukkende interim-managers werkzaam voor ongeveer een kleine ton per maand. Medewerkers kijken machteloos toe. Dat is nog eens nieuws.