Belgie; Met tramlijn 44 naar het Afrikamuseum

Vroeger heette het Kongo Museum, tegenwoordig Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Deze naamswijziging lijkt de enige concessie die het Afrikamuseum in Tervuren aan de tijd heeft gedaan. Nog altijd waart de sfeer van een negentiende-eeuws koloniaal museum door het royale gebouw, even buiten Brussel. En dat is juist de charme van dit museum, begin deze eeuw opgericht door koning-bouwheer Leopold II en betaald met de opbrengsten uit zijn privédomein Kongo.

Het begint al in de marmeren entreehal, waar de L van Leopold in veelvoud aan het plafond pronkt. “België schenkt de beschaving aan Congo” is te lezen onder het standbeeld van een missionaris die zijn arm beschermend rond een naakte neger slaat. In de eerste zaal, 'vergelijkende etnografie', liggen in ouderwetse vitrines voorwerpen gerangschikt per onderwerp als 'domesticatie der dieren', 'oorlog' of 'opschik en kledij'. Het begrip vergelijkende etnografie is ruim genomen: bij 'jeugd en spel' liggen tolletjes uit Venezuela, een Canadese baby-parka en een pop uit Mali. Niet overal is uitleg en waar wel toelichting wordt gegeven, is deze soms zo cryptisch dat ze uitnodigt tot wilde speculaties. Waartoe diende bij voorbeeld een snorhout, een biola of een kruitpeer?

De leukste manier om naar het Afrikamuseum te gaan, is met de tram. Lijn 44 rijdt vanaf het Montgomeryplein over de statige Tervurenlaan, die Leopold II liet aanleggen om Tervuren te betrekken bij de wereldtentoonstelling van 1897. De laan leidt langs riante woningen, ambassades en een glooiend park met vijvers. Na het Vierarmenkruispunt (Quatre Bras) duikt de tram de bossen in om te stoppen bij een houten afdak: Tervuren Station. Op mooie zondagen laten we, net als veel Belgen, het museum links liggen en lopen langs de wafelkraam de Franse tuin in met zijn heggen, rozenboompjes en bordjes 'eerbiedig de grasperken'.

Over de paden flaneren ouders en kinderen met witte kniekousen. Als de tuin een paar treden is gedaald, ontmoet je de eerste scouts in uniform. Daarna beland je op een groot grasveld, waar wordt gepicknickt, gezond en gespeeld. Dringen is het bij café 'Aan de bootjes' en bij de dierenweide, waar jonge geitjes worden verkocht. Veel rustiger wandelen is het aangrenzende Zoniënwoud, een eeuwenoud bos aan de rand waarvan de hertogen van Brabant rond 1200 hun kasteel optrokken.

Leopold II had aanvankelijk weinig interesse voor dit domein in Tervuren. Tot hij het plan opvatte om er een koloniale tentoonstelling te organiseren, als onderdeel van de wereldtentoonstelling, die de interesse van de Belgen moest wekken voor zijn kroondomein Kongo. De expositie was zo'n succes, dat de koning besloot een permanent Kongomuseum op te richten. Zijn lievelingsarchitect Charles Girault, die ook het Petit Palais in Parijs ontwierp, kreeg opdracht het gebouw te tekenen. Het was bedoeld als onderdeel van een groot koloniaal centrum, waar ook een Japans en een Chinees museum moesten verrijzen, een congrespaleis en een koloniale school. Maar alleen het Kongomuseum en de Franse tuin werden gerealiseerd.

Zoals Leopold zijn onderdanen kennis over Kongo wilde bijbrengen, is volgens de huidige museumgids het doel ook nu “de bezoekers een inzicht geven in de mens en de natuur van Afrika en van de Belgische inbreng bij de exploratie en kennis hiervan”. Nog altijd is er een herdenkingszaal met “het Belgische aandeel in de penetratie en kolonisatie van Midden-Afrika in de tweede helft van de XIXde eeuw en het begin van de XXste eeuw”. Aan de muur rijen namen van Belgen die “rusten op Afrikaanse bodem”, in de vitrines Stanley-souvenirs.

Niets herinnert aan dekolonisatie of de periode daarna. Een van de jongste voorwerpen in het museum is wellicht de Savanne olifant “opgevuld voor de wereldtentoonstelling van 1958” en “daartoe geschoten in 1956”. De olifant maakt deel uit van een groot dode-dierenpark met apen, krokodillen, een giraffe, vlinders en vissen op sterk water. Luipaarden verslinden een antiloop, een slang werkt een muis weg, een neushoorn waarvan alleen de kop is overgebleven (een jachttrofee?) is ingenieus verweven met het struikgewas. Stiekem verwacht je in een volgende vitrine een dorpstafereel. Inderdaad was er op de wereldtentoonstelling van 1897 een Kongolees dorp, bewoond door tweehonderd zwarten - 'natuurvolken' mochten niet ontbreken op een koloniale tentoonstelling rond de eeuwwisseling.

Opvallend is het verschil tussen het Afrikamuseum van Tervuren en het Tropenmuseum in Amsterdam. Terwijl het Tropenmuseum exposities organiseerde als 'Wit over Zwart', waar met voorbeelden uit reclame en populaire cultuur wordt aangetoond hoe diep racisme wortelt, gaan de huidige tentoonstellingen in Tervuren over 'Afrikaanse stoelen' en 'volkeren van Ethiopië'.

Misschien ligt de verklaring in wat de Leuvense hoogleraar F.G. Droste omschrijft als de Belgische schaamte- tegenover de Nederlandse schuldcultuur. In het Tropenmuseum wordt openlijk schuld beleden voor het Westers imperialisme, in het Afrikamuseum zijn de pijnlijke aspecten van (de-) kolonisatie beschroomd achterwege gelaten. Daarom kun je hier terugstappen in de tijd, en de Afrikaanse beschaving bekijken met de verwondering van toen.