Advocaat heeft zich aan grenzen te houden

De socioloog J.A.A. van Doorn signaleerde onlangs de opkomst van een nieuwe school in de Nederlandse rechtspraktijk: advocaten die zich toeleggen op het uitbuiten van opsporings- en vormfouten bij politie en justitie. Hij werd daarin in deze krant bijgevallen door S.W. Couwenberg. Vorige week (12 oktober) reageerde de Haagse strafpleiter G. Spong: 'Een advocaat die vormfouten negeert, verzaakt zijn plicht'. Hij betichtte Couwenberg van kletskoek. Couwenberg dient hem van dupliek. H.J.R. Kaptein neemt het voor Couwenberg op: er is een verschil tussen het verdedigen van rechten en het frustreren van een strafproces. Taru Spronken kiest de zijde van Spong. Iedere verdachte heeft recht op een behandeling volgens de regels.

Een bekende truc die wordt toegepast om critici onderuit te halen, is hen te bestrijden op aanvechtbare punten waar zij helemaal niet achter staan. Het recht op een eerlijk proces, waar Spong uitvoerig op ingaat, is helemaal geen punt van discussie, evenmin als het recht van de advocaat om de belangen van de verdachte eenzijdig te behartigen.

Wat ter discussie staat is alleen de vraag hoever de acvocaat mag gaan in zijn eenzijdige behartiging van de belangen van verdachten zonder dat de eerlijkheid van het strafproces wordt aangetast, waarin ook met de belangen van slachtoffers rekening moet worden gehouden. Ik heb de indruk dat Spong daaraan nauwelijks grenzen stelt.

Een van de grondbeginselen van onze rechtsstaat en van de strafrechtspleging is het proportionaliteitsbeginsel dat evenredigheid eist tussen doel en middel. Het doel van een adequate verdediging heiligt niet alle middelen. Spong lijkt daar wel van uit te gaan.

In zijn reactie bevestigt Spong dit. Ook in processen tegen iemand als Hitler of Dutroux heeft Spong er, zo schrijft hij, geen enkel probleem mee als dit soort lieden hun gerechte straf zou ontlopen wegens een procedurefout, waarop hij als hun raadsman zou kunnen attenderen.

Betekent zo'n rechtsopvatting niet een ontaarding van de rechtsstaat tot een formalistisch rechtssysteem dat niet langer als legitiem ervaren wordt en de bekende krakerskreet zou rechtvaardigen: 'uw rechtsorde is de mijne niet'? Een protestkreet die in België opnieuw weerklinkt en tot protestactie leidt naar aanleiding van de zaak-Dutroux.

Uiteraard moet de advocaat procedurefouten signaleren als die bij opsporing en/of vervolging gemaakt worden. Maar is het kletskoek als burgers er moeite mee hebben wanneer een zware misdadiger vrijuit gaat vanwege een procedurefout? Kunnen de betrokken slachtoffers van criminaliteit dit redelijkerwijze ervaren als uiting van een eerlijk strafproces? Als procedurefouten ertoe leiden dat zware misdadigers hun gerechte straf ontlopen, acht ik dat in strijd met het proportionaliteitsbeginsel.

De al of niet naleving van vormvoorschriften dient ondergeschikt te zijn aan het publieke belang van een adequate waarheids- en rechtsvinding in het strafproces. Een punt van discussie is voorts het karakter van de strafrechtspleging. Daarover strijden sinds lang twee opvattingen om de voorrang: de ene opvatting stelt dat het gaat om bescherming van het individu als verdachte tegen de overheid. In de andere opvatting gaat het om bescherming van burgers tegen andere burgers of groepen van burgers die inbreuk maken op hun van staatswege gewaarborgde rechten.

Evenals J.M. Sjöcrona (NRC Handelsblad, 12 oktober) legt Spong sterk de nadruk op het eerste model. Dit heeft sinds de culturele revolutie van de jaren zestig een tijdlang de overhand gekregen. Het leed van slachtoffers van criminaliteit raakte daardoor op de achtergrond. In de loop van de jaren tachtig is daartegen een reactie gekomen vanwege de snel toenemende criminaliteit. De burger als slachtoffer van criminaliteit komt in het strafproces weer wat meer in beeld.

Met het oog op een evenwichtig politioneel en justitieel beleid moeten we af van de onvruchtbare tegenstelling tussen handhaving van recht en orde versus bescherming van de verdedigingsrechten van de verdachte. Beide dienen op evenredige wijze behartigd te worden in de strafrechtspleging.

Dat Spong het met de waarheidsvinding niet zo nauw neemt, blijkt op frappante wijze aan het slot van zijn artikel, waarin hij beweert dat ik warme sympathieën gekoesterd zou hebben voor het fascistische apartheidsregime in Zuid-Afrika. Hij doet dat met de bedoeling mijn integriteit aan te tasten en op basis van een vage herinnering zonder kennis te nemen van de feiten. Hij handelt daarmee in strijd met de vereiste zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer.

Ik heb mijn stellingname op dit punt meermalen uitvoerig verantwoord en voor die stellingname hoef ik mij geenszins te generen. Het apartheidssysteem heb ik van stonde af aan afgewezen als een relict van het feodaal-koloniale tijdperk waarvan de legitimiteit in principe al door de democratische revoluties van de 18e eeuw ter discussie is gesteld, maar dat zich niettemin tot de tweede helft der 20e eeuw wist te handhaven.

In de trant van Talleyrand heb ik de wijze waarop dit koloniale relict in Zuid-Afrika sinds 1948 geperfectioneerd is, erger dan een misdaad genoemd.

Waar ik stelling tegen heb genomen, is de radicale isolering van het apartheidsregime, zoals betoogd door de radicale anti-apartheidsbeweging. Een radicale boycot-politiek is een bot wapen. Over de effectiviteit ervan bestaat veel twijfel. Het sorteert bovendien vaak averechtse effecten.

Tenslotte stelde ik dat apartheid het gevolg is van het politieke en culturele isolement waarin de Afrikaners in Zuid-Afrika sinds lang hadden verkeerd. Daardoor beten zij zich vast in een defensieve politiek die haaks stond op de maatschappelijke ontwikkeling in de wereld.

Als alternatief van een radicale economische en culturele boycot heb ik een beleid bepleit dat steun verleende aan het hervormingsproces dat in Zuid-Afrika in de jaren tachtig langzamerhand op gang kwam, krachtige politieke druk om het interne verzet hiertegen te breken en sancties alleen voorzover ze de zwarte bevolking zo weinig mogelijk zouden schaden. De sportboycot heb ik daarom van harte gesteund. Die was ook heel effectief. De raciale segregatie in de sport is daardoor grotendeels opgeheven.

In het toenmalige gepolariseerde klimaat met zijn rigide zwartwitdenken werd zo'n genuanceerde bestrijding van apartheid nauwelijks geduld en zij is dan ook consequent verdacht gemaakt als steun aan het apartheidsregime. Spongs beschuldiging aan mijn adres ligt in het verlengde van die verdachtmaking.

In de discussie over de bestrijding van apartheid heb ik consequent de lijn doorgetrokken die ik als hoofdredacteur van Oost-West sinds 1962 heb gevolgd in de Koude Oorlog: principiële afwijzing van de ideologie van communistisch regimes, maar geen radicale isolering ervan, omdat ik dit contraproductief achtte.

Als alternatief van apartheid heb ik jarenlang gepleit voor zwarte bevrijding in een politiek pacificatiemodel hand in hand met de veiligstelling van etnisch-culturele minderheidsrechten. Dit laatste werd door de radicale anti-apartheidsstrijders die in de publieke opinie sterk de toon aangaven, als neo-apartheid gebrandmerkt. Hoe belangrijk veiligstelling van die rechten is ter voorkoming van conflicten en separatistische tendenties, zien we de laatste jaren overal in de wereld.

In de kritische evalutatie van de anti-apartheidsstrijd die nu op gang komt, wordt steeds meer erkend dat economische sancties slechts een ondergeschikte rol gespeeld hebben bij de afschaffing van de apartheid evenals de gewapende strijd daartegen en dat de culturele boycot als wapen eerder contraproductief dan effectief is geweest.

Die afschaffing is het resultaat van het onderhandelings- en hervormingsproces dat sinds 1990 tussen het apartheidsregime en zijn opponenten officieel op gang is gekomen - sinds 1985 waren er al geheime contacten tussen Mandela en president Botha - en dat door de radicale anti-apartheidsbeweging, die een revolutionaire oplossing voorstond, jarenlang verdacht is gemaakt als collaboratie met de apartheid.