Willoze radertjes

De nieuwe produktie van Sjostakowitsj' De Neus bij de Nederlandse Opera was vorige week volgens de meeste landelijke kranten geen succes. Al varieerde de toonzetting enigszins, veel recensenten waren het er over eens dat er sprake was van zóveel overdadig visueel 'lawaai' dat de muziek werd overstemd en de boodschap van de satirische opera niet overkwam.

Al waren er ook critici die welwillender waren, de meest kritische recensenten kregen steun van een gezaghebbend en ervaren toeschouwer van wat er in De Neus op het podium gebeurt: dirigent Hartmut Haenchen. Op tv nam Haenchen ondubbelzinnig afstand van de produktie van de Engelse regisseur David Pountney. Zijn klachten - niet alleen gebaseerd op de première, maar ook op de repetities - komen ons inmiddels bekend voor: er is te veel te zien, zodat er onvoldoende aandacht is voor het muzikale, het hoorbare.

Toch is die constatering onvoldoende om een negatief oordeel over het geheel te rechtvaardigen. Er zijn immers meer operavoorstellingen met een uitbundige vormgeving en veel visuele attracties. De Rossini-produkties van Dario Fo in het Amsterdamse Muziektheater waren er goede voorbeelden van, evenals de door Peter Greenaway als film geënsceneerde opera Rosas van Louis Andriessen.

De kwestie van goed of slecht in de regie is niet afhankelijk van kwantiteit in beweging en opzichtigheid: dan zou ensceneren en regisseren immers alleen een probleem zijn van doseren en balanceren. Veel meer is het de vraag of doel en middelen bij elkaar passen, zodat de dramatische inhoud van de opera ook werkelijk wordt zichtbaar gemaakt en het publiek die kan navoelen. Het gaat uiteindelijk om zingeving.

Bij Pountney's enscenering van De Neus kan echter ook niet worden geklaagd dat hij niet duidelijk maakt waarover het stuk gaat: de drang van de eenling om niet op te vallen in de samenleving, om de medemens geen aanstoot te geven. De enscenering is een cavalcade van alles wat ook maar in de verste verte in verband kan worden gebracht met Gogols satire op de burgermaatschappij, zoals Sjostakowitsj die een eeuw later als uitgangspunt nam voor zijn opera.

Bovendien heeft Pountney de handeling geactualiseerd en gesitueerd in onze westerse wereld. Alles is prettig herkenbaar eigentijds: de motor, het vliegveld, het fastfoodrestaurant, de sensatiepers aan het werk, zich ontkledende royalty. Het is een aanpak waarmee Peter Sellars - in wisselende mate - juist vaak succes heeft.

Wat is dan wel het kardinale probleem bij De Neus? Dat is volgens mij het stuk zelf. De Neus was in de tijd van ontstaan (1928) een hoogst actuele opera voor een Russisch publiek dat in het met tal van extra's flink opgetuigde oude verhaal van Gogol een metafoor zag voor de warrige toestand in de Sovjet-Unie.

Het was een complexe tijd: tien jaar na de revolutie gingen verschillende bewegingen tegen elkaar in. De kunst beleefde in de jaren twintig een vrijheid en bloei zoals die er in eeuwen niet was geweest. Op economisch gebied begon de door de staat opgelegde industrialisatie. In de maatschappij was er rivaliteit tussen het platteland, waar de boeren onder het staatsregime werden gebracht, en de stad, waar werd gewerkt aan de verheffing van het proletariaat. Bij dit alles liepen het officiële beleid en de praktijk vaak ver uiteen, maar dat was ook al zo onder de tsaren.

Ook elders ter wereld heerste angst voor het opgaan van het individu in de massa, voor het reduceren van de mens tot een willoos radertje van vlees en bloed in het mechaniek van de lopende band. Ortega y Gasset schreef De opstand der horden (1933), Charlie Chaplin maakte zijn Modern Times (1936).

De Neus behandelde een modieus thema van toen. Inmiddels zijn alle waarschuwingen tegen de kwalijke kanten van massificatie en robotisering zó goed opgevolgd dat ze niet meer actueel zijn. De uniformiteit van het zwarte T-Fordje bestaat niet meer, de uniformiteit van spijkerbroeken en MacDonalds wordt niet als het ergste ter wereld ervaren. Integendeel: de klacht is nu veeleer dat de toenemende individualisering de maatschappij bedreigt, dat solidariteit en sociale cohesie zienderogen verdwijnen.

De pretentie van De Neus is de toeschouwer een avond te bezorgen die beslissend is voor de rest van zijn leven. Maar het is een illusie om te menen dat het Amsterdamse operapubliek zich ook maar iets zou aantrekken van wat De Neus signaleert: dat de mens zich niet wil onderscheiden van de ander. Dat durven we best. Want juist door met zijn allen exclusief en elitair in het Amsterdamse Muziektheater te gaan zitten, onderscheiden we ons toch op beslissende wijze van de rest?