When Summer Has Almost Gone

T/m 10 nov. in zes Rotterdamse galeries. Informatiefolder bij elke galerie beschikbaar, o.a. bij galerie Delta, Oude Binnenweg 113. Di. t/m za. 11-17u.

Het heet traditiegetrouw When summer has almost gone. Een mooie benaming voor de opening van het Rotterdamse galerieseizoen, maar het kleine aantal deelnemers rechtvaardigt zo'n titel nauwelijks meer. Elk jaar zijn het er minder en nu doen er nog maar zes galeries in het museumkwartier aan mee. Sommige hadden al tentoonstellingen gepland en andere zijn verdwenen in de golfbewegingen die het commercieel hachelijke galeriewezen kenmerken. Spijtig vooral is de sluiting van de mooiste expositieruimte in Rotterdam, Galerie Ram.

De overblijvers, voor de gelegenheid met 25.000 gulden gesteund door de gemeente, vonden elkaar dit jaar in het 'thema' Verf. Zelfs Fotomania wist een schilder op te sporen die met zijn fotorealisme recht doet aan de beginselen van de galerie. In een kunstige, gladde stijl portretteert Leo van Veldhuizen (36) leeftijdgenoten en kinderen, zoals een verbaasde baby die zich met zijn te roze appelwangen en zijn gloedvol oranje kopje zeer dicht tegen de kitsch heeft gevleid.

Enkele dertigers poseerden onder water, omdat men dan niet langer op de schilder let, maar vooral met overleven bezig is, vertelt Van Veldhuizen. Afgezien van de toch wat geforceerde ongekunsteldheid die zo'n badenscenering oplevert, kon de schilder het zich met de transparante vertekeningen in technische zin wat lastiger maken.

Waarom iemand in deze tijd van digitale fotografie zich twee maanden lang aan een fotorealistisch portret wijdt? “Omdat de huid van een doek veel mooier is en ook dichter bij de toeschouwer staat dan die van een foto”, beweert Van Veldhuizen. Een bekwaam schilder, jazeker, die voor zijn portretten ongetwijfeld opdrachtgevers vindt. Want hoe echter, hoe beter - zoals zo vaak nog ten onrechte wordt gedacht.

Haaks op dit fotorealisme staat de science-fictionachtige stripwereld van Rob Verf, wiens naam geen grap is. Hij exposeert bij MK Expositieruimte, een locatie pal tegenover kunstcentrum Witte de With, die zo'n anderhalf jaar geleden van een verloederd café veranderde in een professioneel uitgeruste galerie. Op forse doeken licht Verf het tipje van de SM-praktijk op, maar tegelijkertijd codeert hij die belevenissen door ze te plaatsen in klinisch betegelde ruimten, waar torso's van Lego-achtige wezens in de weer zijn met zweepjes en kettingen en waar popperige patiënten zich als dinky toys chirurgisch laten ontleden. Hoewel ook Verfs schilderstijl zeer gepolijst is, roepen zijn zielloze interieurs akelige toekomstvisioenen op; contact en communicatie hebben afgedaan, men gebruikt elkaar uitsluitend nog als handige knutselwerktuigen.

In Berlijn en Milaan wordt graag kunst gekocht”, vertelt Hans Sonnenberg van Galerie Delta, de 'grand old man' van de Rotterdamse galeriewereld, en de stimulator van deze manifestatie. “In Nederland koopt men liever een huis en een auto, en daarna een tweede huis en een tweede auto. Nee, het zijn slechte tijden voor de galeries en dat komt ook door die vreselijke installaties die ze zo nodig op al die academies moeten maken. Allemaal rotzooi, die je niet kan verkopen. Je hoeft maar een hoop kolen in een smetteloze ruimte neer te donderen en je hebt al een mooi contrast.”

Geen installaties dus bij Delta, maar wèl beschilderde drieluiken en ovalen van Joost van den Hondel. Dit jaar studeerde hij af aan de Haagse academie, en meteen werd hij als enige schilder tussen de video-kunstenaars bekroond met een aanmoedigingsprijs van de Haagse Stichting Stroom.

Van den Hondel is brutaal. Hij imiteert de Waterlelies van Monet, het gevoeligste eerbetoon dat een tuin ooit ten deel is gevallen, en hij gebruikt daartoe een nieuwe gel-achtige verf, die, eenmaal vermengd met een verdikkingsmiddel, zich net zo goed als koord of klont op het doek vastzet. Dankzij dat stollingsvermogen dobberen bladeren en bloemen nu als een reliëf tegen een donkere ondergrond. De vele fluorescerende goudvisjes geven de grote schilderingen zowel samenhang als lichtvoetigheid.

Deze ode aan Monet mag dan weinig subtiel en zeer decoratief zijn, de drieluiken getuigen van een vrolijkheid die zeldzaam is op deze manifestatie in Rotterdam. Neem nu de tentoonstelling bij Cokkie Snoei, waar beide exposanten zich hebben gefixeerd op het mannelijke en vrouwelijke geslachtsdeel. Barend van Hoek, ex-Ateliers '63, schildert fors en nonchalant de erotische passage tussen lies en kruis, die zich blootgeeft bij het dragen van een kort broekje of het aantrekken van een panty. De tweede exposant bij Cokkie Snoei, een in Parijs opgeleide Noorse kunstenares met de romannaam Kirsten Weltzin, stelt gipsen afgietsels van schaamlippen, inclusief clitoris, tentoon. Elk afgietsel is keurig in een doosje met wat schaamhaar opgeborgen. Veel dames weigerden aan dit, laat ons zeggen, ludieke experiment mee te werken. Daarom vermelden hun lege doosjes uitsluitend de reden van hun weigering: geen zin, schaamte, minderwaardigheidsgevoelens.

Weltzin vertelt dat de visuele ontdekking van haar eigen geslachtsorgaan aanleiding vormde om ook andere dames een gipsafdruk te vragen. Hoewel het elke bezoekster vrij staat aan dit vergelijkend onderzoek deel te nemen, was er bij de opening geen sprake van een grote toeloop. De twee matrassen, op ingenieuze wijze tot penis en vagina omgewerkt, konden daarin geen verandering brengen.

Degenen die in de beeldende kunst op zoek zijn naar intimiteit, in plaats van achterhaalde begrippen als 'vernieuwing' of 'originaliteit', kunnen tenslotte bij Galerie Liesbeth Lips terecht. Els Snijder, eveneens vorig jaar in Den Haag afgestudeerd, heeft daar haar eerste solo-expositie. Bestaande en zelfgemaakte foto's, als ook afgietsels van objecten, die het verre geweld en het nabije lichaam tot onderwerp hebben.

Op papieren bladen, vervormd tot reliëfs van televisieschermen, staan klassieke foto's van kinderen afgedrukt, erbarmelijk alleen gelaten tijdens oorlogsgeweld in het platgegooide Berlijn en Hiroshima. Elke foto gaat samen met de driedimensionale gipsafdruk van een fotolens waarin een persoonlijk bezit, een knikker of een ringetje met lieveheersbeestje, is gegoten.

Langs de wand figureren op sokkeltjes nog afgietsels van pistolen en een hand die zich als zodanig gedraagt. Ze staan op de toeschouwer gericht, maar van één exemplaar, afgegoten in caramel, valt weinig meer te vrezen. Kort na de opening begon het al, naar behoren, van zijn sokkel af te druipen.

De mooiste fotosequentie draait om een vrouwenlichaam in bed. De voorgrond gedraagt zich als een holte, waar het lijf in een wazige, dia-positieve sfeer steeds andere, bijna peinzende houdingen heeft aangenomen. Het strikt besloten karakter van die opnamen, met de suggestie van oerdiepe stilte en geborgenheid, moet het opnemen tegen alle misère, die Els Snijder met recente krantenfoto's aan de orde stelt. Steeds heeft ze de hand van een slachtoffer weggescheurd en als minutieus detail naast de foto opgehangen. Een detail van bijna niks waaraan geen ontsnappen mogelijk is.