Vooral doen ze veel 'alsof '

Sylvia Waugh: De Mennyms. Uit het Engelse vertaald door Johan Hos. Uitg. Gottmer, 186 blz. ƒ 29,90

Het lijkt een nogal gekunsteld idee: lappenpoppen die leven en net mensen lijken. Maar het ìs heel bijzonder, dit namaakleven dat op volle kracht geleid wordt door de familie Mennym in een huis aan een pleintje in een stad temidden van echte mensen. Het sterke aan Sylvia Waughs boek De Mennyms is dat niemand ook maar een moment doet alsof het eigenlijk normaal is dat een lappenpopfamilie echt leeft en functioneert. De Mennyms zijn zich maar al te zeer bewust van hun uitzonderlijkheid. Ze weten ook heel goed dat het in hun eigen belang is dat niemand er ooit achter komt hoe uitzonderlijk ze zijn. Want iemand die zou merken dat er lappenpoppen in een huis leven, boodschappen doen en huur betalen, zou dat griezelig en eng vinden en als zo iemand eraan zou wennen zou hij het weer zó bijzonder gaan vinden dat de familie Mennym al spoedig tentoongesteld zou worden in een kooi of iets dergelijks. En daar voelen ze helemaal niets voor.

De Mennyms houden zichzelf dus geheim. Daar zijn ze heel bedreven in geworden. Ze doen zo veel mogelijk schriftelijk of telefonisch en als ze de straat op gaan doen ze een zonnebril op of een breedgerande hoed of een capuchon, want ze zijn wel levensecht en levensgroot, maar ze hebben allemaal knoopjes of kralen in plaats van ogen. Als ze iets kopen vermijden ze dan ook oogcontact en wie leest hoe ze dat doen, realiseert zich dat verkopers en klanten elkaar inderdaad heel dikwijls helemaal niet aankijken.

Lappenpoppen hebben andere behoeftes dan mensen en vooral hebben ze een heleboel behoeftes niet. Ze hoeven niet te eten of te drinken, ze zweten en poepen niet en hoeven zich dus ook veel minder te wassen, gewoon hun stof schoonhouden is genoeg. Van veel water zouden ze maar nat worden tot in hun kapok. Ze hebben wel kleren nodig, want die slijten en als ze niet slijten willen sommige leden van het gezin toch wel graag met de mode meegaan. Ze hebben geld nodig, om de huur te betalen van het huis waar ze na de dood van hun maakster in zijn blijven wonen en om spulletjes te kopen zoals lampen, radio, een grammofoon, een televisie (al interesseert het mensennieuws hun niet heel erg, dat speelt zich immers allemaal af in een wereld waar zij zoveel mogelijk buiten blijven). Ze doen dus iets om aan de kost te komen. Maar vooral doen ze veel 'alsof'. Want anders is het leven zo saai.

Ze hebben een zondagse maaltijd waarbij ze doen alsof ze eten. Moeder doet graag alsof ze een taart staat te bakken in de keuken en roert dan door een lege beslagkom. Ze doen alsof de baby geregeld een schone luier nodig heeft. Ze doen of een van hen jarig is en vijftien wordt. Ze doen alsof ze trek hebben in thee als ze thuis komen. Ze doen alsof de ene pop die niet tot de familie behoort, juffrouw Quigley, niet in een kast in de gang woont maar haar eigen huisje heeft een eindje verderop en alsof ze geregeld op visite komt. Dan sluipt juffrouw Quigley de kast uit, door de achterdeur, loopt om het huis heen en belt aan. Als er gebeld wordt, doen ze net alsof ze geen idee hebben wie dat zou kunnen zijn, ofschoon er nooit iemand op visite komt. Als de visite er is, wordt er thee gezet ('Vinetta liet een redelijke tijd verstrijken voor het koken van het water en het trekken van de thee') met een oud biscuitje erbij - want die gaan natuurlijk nooit op - en dan zegt juffrouw Quigley “Ik ben dol op die roze biscuitjes. Je weet wat een zoetekauw ik ben!”

Zelfs onder ernstige omstandigheden kunnen ze het niet laten om te blijven doen alsof. Grootvader en vader hebben een moeilijk beraad over een zeer schandalige actie van kleindochter: “En zo praatten ze maar door. Joshua deed alsof hij pijp rookte. Sir Magnus deed alsof hij kleine slokjes whisky nam.” Hun wereld is een volmaakte mengeling van echt - ze zijn dol op echte dingen - en alsof. Ze zijn daarmee ook werkelijk tot leven gekomen poppen, één groot kinderspel: “Misschien kunnen we doen alsof je op vakantie gaat (...) Dan pak jij een paar koffers en zwaaien wij je uit bij de voordeur”. Zelden wordt dat soort fantasie zo goed en leuk verbeeld op een zo volstrekt niet kinderachtige manier. Wie De Mennyms leest, die gaat in hen geloven, die vergeet dat ze lappenpoppen zijn, die doet zelf ook hartstochtelijk 'alsof' en leeft mee met de opstandige puber Appleby en de zorgzame moeder Vinetta - maar tegelijkertijd weet die lezer heel goed dat zij iets zeer raars zit te lezen. Verrukkelijk raar.