Voor het blok

In juni van dit jaar - het was koffiepauze tijdens een kunsthistorisch congres - liet ik me ontvallen dat ik jaloers was op mensen die zomaar konden gaan zitten met een schetsboek en dan een redelijk accurate tekening produceren van een gebouw of een stadsgezicht. Een man die ik niet kende keek me schattend aan en zei: 'Zes ochtenden'. Een week later had hij me binnen gesmokkeld in een cursus 'handtekenen' voor eerstejaars architectuurstudenten. Gisteren had ik de laatste van die zes ochtenden achter de rug.

Hoe onwaarschijnlijk moeilijk het is om een rechte lijn te trekken, een raster uit de losse pols te tekenen, een gave kubus neer te zetten, dat maakte de meeste indruk op mij. Een kubus leren tekenen is het belangrijkste. Zo'n open blok is een wonderbaarlijk instrument waarmee een ruimte zich op een vel papier laat zetten. Met behulp van een correcte kubus kun je ieder soort binnen- of buitenruimte vormen, en die vervolgens volzetten met willekeurige voorwerpen in perfect perspectief.

Bovendien is het standpunt naar believen te wijzigen. Een tafereel met een normale horizon verandert in een handomdraai in het perspectief van een vogel of van een worm. Je kunt zelfs waarachtige tekeningen maken van wat geen mens ooit gezien heeft: een gebouw vanaf dertig meter onder de grond bijvoorbeeld. Wij leerden dit alles zonder meetkundige berekeningen, alleen maar met behulp van een paar eenvoudige vuistregels en een potlood als meetlat. Maar om deze wonderen te verrichten, moet je wel een echte kubus kunnen construeren, met alle assen en vlakken in de juiste verhouding. De kleinste afwijking heeft desastreuze gevolgen voor het eindresultaat.

Onder mijn medestudenten waren er een paar die echt talent hadden en al na drie lessen stereometrische tekeningen maakten waarvan ik achterover sloeg. Mijn eigen produkten brachten het klassengemiddelde flink omlaag maar ik liet me niet uit het veld slaan.

Om eerlijk te zijn heb ik de laatste tijd nogal vaak lopen zeuren over het feit dat ik niet tekenen kan. De een-na-laatste persoon die hierop reageerde was de Jeruzalemse schilder Ivan Schwebel, zelf een fenomenaal tekenaar. Hij bood aan mij de kunst bij te brengen in veel minder dan zes ochtenden.

“Teken wat je ziet. Vergeet wat je weet. Kijken, kijken en nog eens kijken en dan proberen neer te zetten wat je ogen waarnemen.” Er zit veel waars en moois in wat Schwebel zegt en ik kijk uit naar de dag dat ik zijn advies in praktijk kan brengen. Maar mijn eerste goedbedoelde pogingen waren zo pover dat ik wanhoopte. Hoe harder ik naar een onderwerp tuurde, hoe onvatbaarder het werd voor mijn potlood, en hoe sneller de zichtbare wereld vervloeide tot een groot trompe-l'oeil (“Kijk dan scheel”, riep Schwebel mij toe, maar dat vind ik een onwaardige manier van doen).

De raster-kubus tekenmethode - en iets wat verder van Schwebel afstaat is er niet - levert sneller voldoening. Maar deze voldoening heeft zijn prijs. Het is nog tot daaraantoe dat je al waarnemend en construerend aan geen van beide exercities recht kunt doen, maar er is bovendien ook lichamelijk onbehagen: als ik mijn ogen instel om over de bovenrand van een kubus heen te kijken alsof het een drie-dimensionaal blok is, dan krijg ik hoogtevrees. Met zo'n afwijking hoef je bij een perspectief-leraar niet aan te komen.

Het is blokken of geblokkeerd worden. De eerste optie staat vooralsnog voor mij open. Als ik ijverig oefenend een paar honderd kubussen verder ben, dan komt er misschien een moment dat ik waarachtig geloof dat ik teken wat ik zie.