Vertrouwde thema's in nieuwe roman Hugo Claus; Blauw in een lijstje van goud

Hugo Claus: De geruchten. De Bezige Bij, 224 blz. ƒ 34,50

In een klein Vlaams dorp, het jaar moet 1966 zijn, breekt een fatale ziekte uit. Braken, zweten, ijlen, slapen en niet meer ontwaken, visioenen in het hoofd of zweren op de huid, de verschijnselen lopen uiteen. Maar er is één constante. Men wordt blauw. Het zweet, het speeksel en de opgekotste gal, het haar en het gezicht en zelfs de oorlellen, ze worden stralend, helder blauw, waarbij de zweren dikwijls nog een gele omtrek krijgen. Blauw, in een lijstje van goud.

Waar gaat De geruchten over? Over een kleur, ben ik geneigd te denken. Blauw zweten, het doet nog het meeste denken aan blauw eten. Het bestaat niet en het kan ook niet bestaan, het druist in tegen je gevoel, het vloekt met de natuur. Maar het wonderlijke van dit boek is, hier bestaat het moeiteloos. Al weet je beter, je gelooft er in en je ontdekt er gaandeweg steeds meer in, tot een wereldbeeld en een moraal toe. Het wordt precies wat het niet wezen kan: het leven zelf. De aanzet is nog heel bescheiden, niet meer dan een blauwpaars vlekje, 'een viooltje met een okergele rand', een zuigzoen zou je denken, in de hals van René Catrijsse. Hij is rond de twintig en omgeven door een vage geur van dreiging, want hij heeft nooit willen deugen. Iets met inbraak, iets met brand, je komt er niet goed achter wat hij op zijn kerfstok heeft, maar het moet erg genoeg geweest zijn om de rijkswacht aan de broek te krijgen en uiteindelijk maar af te reizen naar de Congo, waar het gouvernement zojuist een koloniale oorlog uitvecht. Drie jaar heeft hij daar gezeten, eerst als militair, daarna als deserteur, en plotsklaps staat hij nu weer bij zijn ouders op de stoep. In het geheim, de Rijkswacht zoekt hem altijd nog.

Maar geheimen op een dorp? Men voelt iets, raadt iets, ziet hem uit een ooghoek. De geruchten komen los. Hij schijnt nog steeds niet ongevaarlijk, die René, hij kijkt 'als een hond voor hij gaat bijten'. Wie weet wat hij in de zin heeft, met die deserteurs is het precies als met het Vreemdelingenlegioen, wraakzuchtig slag, en wat te denken van die ouders, die zo'n jong maar laten doen? Er is gesprek voor weken, in café De Doofpot, en wanneer de eerste dorpelingen kort daarop getroffen worden door die nieuwe ziekte blijkt men het hartgrondig eens, daar aan de toog. Geruchten zijn nog geen bewijs, daar mag je nooit op afgaan, maar die jongen moest hier toch maar weg en zijn familie met hem.

Nu is het ingewikkelde van die geruchten, niet voor niets de titel van het boek, dat je er ook als lezer nauwelijks omheen komt. Je kunt afstand van de personages proberen te houden en nuchter een aantal motieven uit het werk van Hugo Claus herkennen (Belgïe, bekrompenheid, de beklemming van een dorp, de zondebok) maar alles nodigt hier juist uit tot onderdompeling. Je kijkt niet overzichtelijk vanaf de klokketoren op het volkje neer, je loopt steeds mee met één figuur, elk hoofdstukje een andere, en laat je ondanks jezelf door de vertelsels meeslepen. Dat iemand blauw wordt van een ziekte blijkt ook voor de dorpelingen hoogst opmerkelijk, de eerste keer, dus je kunt weinig anders doen dan hun verbazing delen en daarmee hun werkelijkheid erkennen, blauw en al. Dat de verspreiding van het ziektebeeld vervolgens aan René geweten wordt is uiteraard voorbarig, maar wees eerlijk, wat dacht je zelf? Wie anders brengt die ziekte aan?

Pas langzaamaan ontdek je dat het minder simpel ligt. Niet iedereen in de omgeving van René wordt ziek, zelfs zijn familie niet, terwijl er ver daarbuiten wel gevallen zijn. Merkwaardig is ook dat de autoriteiten niet de minste aandrang tonen om de jongen op te sporen, of desnoods iets anders op te sporen, een bacterie of een gif. Dit weliswaar tot ergernis van het gezelschap in café De Doofpot, maar toch weer niet in die mate dat de heren zelf tot daden komen. Iedereen wacht af, een geladen rust, en zo ontstaat het vermoeden dat die ziekte wel eens meer kon zijn dan een bacil. Hier wordt iets verzwegen. De geruchten is daarmee een boek voor speurders. Je moet zelf al eliminerend en deducerend aan de slag om uit te vissen wat hier aan de hand is. 'Ge hebt lood in uw lijf', staat er bijvoorbeeld over René, en dat roept een paar vermoedens wakker. Lood is giftig, meer nog, lood is blauwig. Lood verklaart de kleur van zijn vlekken - meer nog, het verklaart misschien de oorsprong van die vlekken. Niet alleen komt hij juist uit een oorlog waar het lood hem om de oren vloog, hij blijkt zelf het produkt van een oorlog. In de winter van 1944-'45, de Amerikanen waren al vlakbij, is hij tussen de bommen door verwekt bij de verpleegster die zijn moeder toen was - niet door zijn vader, die kwam later pas, maar door een Obergruppenführer. Vlaams, maar mofs uit overtuiging en voorzien van vreemde blauwe ogen. Blauw met goud.

De ziekte die René onder de leden heeft, zou je kunnen zeggen, is de ziekte van de oorlog. Hij belichaamt een verschrikking - in zijn eigen ogen en die van zijn moeder, maar misschien nog wel het meest in die van het dorp, want iedereen daar weet wat niemand hardop zegt. Die moeder was de enige niet. Het hele dorp was fout. Vandaar die gespannen rust wanneer hij zich na drie jaar weer laat zien: naast angst en afschuw wekt hij ook een kwaad geweten. Terug uit een nieuwe oorlog roept hij bij het dorp de oude wakker. Zo zie je in dit boek steeds meer de wereld schemeren van Het verdriet van België, de oude meesterproef van Hugo Claus. Ook daarin vindt het verhaal zijn kern in een gezin van vader, foute moeder en vervreemde zoon, om steeds meer uit te waaieren naar hun sociale wereld, een verstikkende gemeenschap van kleinburgerlijke kwezels die hun wekelijkse kerkgang graag verenigen met een geloof in het nazisme. Het verdriet van België speelt in en rond de oorlogstijd zelf, De geruchten kijkt terug vanuit de tijd dat die voorgoed voorbij leek, maar vervolgens weer begon te spoken in herinneringen. In de jaren zestig, zie je ook hier, begon de oorlog opnieuw.

Misschien verklaart dat ook een ander verschil tussen de beide boeken. Waar de zoon in Het verdriet zich nog aan zijn vernietigende wereld kan onttrekken door die te herscheppen tot een eigen tegenwereld, in gedachten, daar blijkt die uitweg voor de zoon in De geruchten afgesneden. De vernietiging zit zelfs al in het hoofd, bij hem, hij kan niet meer ontsnappen. In een flashback naar de Congo, een verschrikkelijke litanie van afgehakte ledematen en gespleten schedels, zie je hoe hij op het laatst, verdoofd en murw, als een kleine jongen tegen de mascotte van de troepen aankruipt, een reusachtige apin. Een omhelzing met een dier, dat is zijn enige toevlucht nog. Troost in de natuur.

Maar daar laat Claus het niet bij, dan komt het pas. De jongen ziet dat de apin een 'hemelsblauwe tong' heeft en 'saffraangele tanden', merkt dat ze een arm om hem heen slaat en voelt de nagels in zijn rug gaan, door zijn huid, 'als vleeshaken', tot hij enkel nog maar pijn voelt. Wat een plastische manier is om te zeggen dat ook hier geen troost te vinden valt, dat de vernietiging klaarblijkelijk niet te ontlopen is. Hoe graag hij ook zou denken dat die alleen in mensen tiert als uitwas, hij moet ondervinden dat ze inherent is aan het leven, aan de blinde oerkracht van de schepping. Ze is onontkoombaar en vitaal - zoals Claus wel vaker heeft laten zien. Dat blauw en geel, in schijn zo onnatuurlijk, is de natuur. Zo samengevat klinkt het misschien een beetje als een hinderlijke, vette metafoor, het gesol met die kleur, maar het mirakel van dit boek is dat het nooit zo leest. Wat al dat blauw betekent, moet je zelf zien te ontdekken, het ligt ingebed in een verhaal vol raadsels en verwarringen en in een overvloed aan schitterende beelden van het Vlaamse leven. De woorden ritselen van poëzie, de zinnen fluisteren van de geheimen, en al krijg je steeds meer greep op het geheel, dan nog wil het beeld maar niet sluiten. Want hoe mooi dat blauw als metafoor ook klinken mag, wat moet je met die smurfenblauwe doden die intussen hoogst concreet op je netvlies blijven staan? Zijn die gestorven aan beeldspraak? Of is er toch een virus? Je weet het niet, de tegenspraak lost zich niet op.

Waar je mee achterblijft als je het boek dichtslaat aan het eind, is een elektriserende en broeierige sfeer van dreiging en destructie - die door ziekte, oorlog en natuur, maar gek genoeg nog wel het meest die door de dorpelingen zelf. In een verwoede poging vat op de vernielingen van hun bestaan te krijgen, zoeken ze soelaas bij wat ook maar voorhanden is, bij God of bij elkaar. Maar daardoor zien ze die vernielingen niet onder ogen, ze negeren die juist en daardoor zien ze ook de aandrang tot vernieling in zichzelf niet onder ogen. Ze zien hun driften niet, hun lusten niet, ze zitten elkaar in de haren met een onbenoembare agressie en beseffen niet dat ze het leven er alleen maar dreigender op maken. Wat in oorsprong nog een onverschillige en amorele oerkracht was, en nu ik erbij stilsta lijkt me dat misschien zelfs wel een kerngedachte van Claus' werk, verandert bij hen in iets immoreels, een mengeling van misverstand en angst die uit kan lopen op volstrekte wreedheid. Mensen, ze maken het alleen maar erger. De precisie waarmee Claus dat drama registreert, uiteindelijk is dat wat De geruchten indrukwekkend maakt, indringend en zelfs wijs. Je ziet ze gaan, die kleine zielen, voortgedreven door de kracht die ze proberen te negeren. Weerzinwekkend zijn ze, monsters, en toch krijg je medelijden met hen. Ecce homo, zie hun hulpeloosheid, zie hun uitzichtloosheid, heb erbarmen. Overal blauw, maar nergens het blauw van een hemel.

Uit: Hugo Claus, De Geruchten

Ondertussen wordt door mensen van ons soort met innige deelneming en oprechte rouw gesproken over Michel Pesseroy, dertig jaar oud, die gestorven is, luister goed, niet aan het feit dat hij in geen week naar achter kon gaan, maar aan het blauw zweet dat uit zijn voorhoofd en kaken gutste, aan de blauwe gal die hij in vlokken uitspuwde, en Michel kreeg dat blauw niet meer weg. Wassen en schrobben? Vergeet het maar. Dokter Vermeulen probeerde het met ether weg te wassen, vergeet het maar, het blauw werd donkerder met rode plekken van het schuren, zij hebben die jongen gezouten purgeermiddelen gegeven, niets hielp en Michel zei tegen zijn vrouwtje: 'Andrea, ik zou wel gaan tennissen, kwestie van lichaamsbeweging.' Ge ziet van hier, in de club werd niet weinig gelachen, een blauwe tennisspeler, en Michel serveert waarbij hij zijn eigen uiteraard uitrekt en zijn hart scheurt glad in tweeën.