Uderzo is nog koppiger dan Obelix; Het dertigste Asterix-album

In de nieuwe Asterix, getekend èn geschreven door Uderzo, is veel als vanouds, maar niet alles. De beproeving van Obelix verhoudt zich tot klassieke albums als De ronde van Gallia als geitenmelk tot toverdrank. “Uderzo heeft nooit willen inzien dat scenarioschrijven een vak apart is.”

Albert Uderzo: De beproeving van Obelix (La galère d'Obélix). Vert. Frits van der Heide. Uitg. Les Editions Albert René, 48 blz. Prijs ƒ 9,95.

We schrijven zomer 1994. In een interview met een Franse krant laat Albert Uderzo, tekenaar en sinds de dood van René Goscinny (1977) ook tekstschrijver van de succesvolste strip aller tijden, zich ontvallen dat Asterix en Obelix hun laatste avonturen hebben beleefd. Na 35 jaar en 29 albums heeft hij er genoeg van. De inspiratie is op, en wat belangrijker is: hij is verwikkeld in royaltyprocessen die hem iedere lust tot verder tekenen ontnemen.

Heel Frankrijk, alsmede de rest van de striplezende wereld, schrikt van Uderzo's aankondiging. Kranten en tijdschriften in de veertig landen waar Asterix vertaald is, publiceren uitgebreide herdenkingsartikelen met koppen als 'Aan Het Eind Van Zijn Latijn' en 'Rome Haalt Opgelucht Adem'. De onoverwinnelijke Galliër wordt geëerd als een van de grote cultuurhelden van Frankrijk en als de figuur die in de jaren zestig het stripverhaal voor volwassenen en intellectuelen salonfähig maakte. Zijn avonturen in Romeins Europa en daarbuiten, zo schrijven de necrologen, zullen herinnerd worden als sublieme satires op nationale stereotypen.

Twee jaar later is Asterix weer terug. 'De berichten over mijn dood zijn schromelijk overdreven', zou hij een collega-humorist kunnen citeren. Zijn nieuwe avontuur, De beproeving van Obelix (La galère d'Obélix), verscheen vorige week in 15 talen, in een oplage van 8 miljoen exemplaren. Binnen een dag waren in zijn geboorteland zelfs de verkooprecords van de biografie van Brigitte Bardot (in de Asterix-albums vereeuwigd als de vrouw van Nestorix) gebroken. Bovendien verklaarde de 69-jarige Albert Uderzo, kleurenblind en verkrampt door een spierziekte, dat hij tot zijn dood aan de serie zal doortekenen. “Juist in deze sombere tijden is de humor van Asterix een noodzakelijk medicijn.”

In het dertigste Asterix-album, dat werd geïnkt, ingekleurd en beletterd door werknemers van de Parijse Editions Albert René, komen twee verhaallijnen bij elkaar. De ene betreft de kaping van de privégalei van Julius Caesar door een groep slaven onder leiding van de Griek Spartakis. De andere komt voort uit de gulzigheid van Obelix. De onafscheidelijke metgezel van Asterix verandert na het leegdrinken van een ketel met toverdrank eerst in een standbeeld en daarna in een vijfjarig ventje (dat fervente fans nog kennen uit het apocriefe, nooit in boekvorm gepubliceerde verhaal waarin wordt verteld hoe Obelix aan zijn superkracht komt).

De kleine Obelix wordt gekidnapt door de Romeinen, en Asterix en de druïde Panoramix zetten de achtervolging in op de gekaapte galei van Caesar, dat niet geheel toevallig net is aangemeerd bij het Gallische dorpje dat wij zo goed kennen. Als Obelix weer is bevrijd, wordt koers gezet naar het verre Atlantis (gesitueerd bij de Canarische eilanden), waar volgens Panoramix de beschaving zo ver is ontwikkeld dat Obelix er onttoverd kan worden. Voor één keer heeft de wijze magiër ongelijk; maar het geeft niet, want op weg naar huis krijgt Obelix vanzelf zijn gewone gedaante terug, zodat hij zich weer kan overgeven aan zijn favoriete bezigheden: Romeinen bevechten en everzwijn eten.

Dik?

Zoals de meeste komische strips dankt de Asterix-serie een groot deel van haar succes aan het humoristische effect van terugkerende formules. Zinsneden als 'dik? wie is hier dik?' en 'rare jongens die Romeinen' zijn in meer dan veertig talen spreekwoordelijk geworden; vaste plotwendingen als de vernedering van Caesars legioenen of het tot zwijgen brengen van de dissonante bard Assurancetourix roepen op z'n minst een glimlach van herkenning op.

Uderzo zou geen goed auteur en zakenman zijn als hij de traditionele details - klassiek sinds Asterix de Galliër in 1959 voor het eerst in het Franse stripblad Pilote verscheen - plotseling zou verdonkeremanen. En dus wemelt het ervan in De beproeving van Obelix. Caesar zit onder de plak bij Cleopatra, Romeinse officieren heten Ajaccus of Juventus, het piratenschip van de uit een andere strip afkomstige Roodbaard wordt tot zinken gebracht, en de toverdrank van Panoramix maakt het leven van de Romeinen uit de omringende legerplaatsen bepaald niet gemakkelijk.

Even beproefd is het laten figureren van bekende personages. Tientallen filmsterren, politici, sportlieden en literaire helden werden in de avonturen van Asterix gekarikaturiseerd. Sommigen maakten een cameo appearance: Laurel en Hardy stuntelden als legionairs in Obelix en Co, Eddy Merckx was een pijlsnelle koerier in Asterix en de Belgen, Giscard d'Estaing inde belastingen in De koperen ketel. Anderen kregen een substantiële rol, zoals Lino Ventura (de intrigant uit het gelijknamige album) of de James Bondvertolker Sean Connery, die als de dubbelagent Nulnulnix de onoverwinnelijke Galliërs achtervolgt in De odyssee van Asterix.

Aan die lange lijst van illustere bijrolspelers wordt in De beproeving van Obelix ten minste één naam toegevoegd: Kirk Douglas, die inclusief stekeltjeshaar en vastberaden kuiltje in de kin optreedt als de voormalige galeislaaf Spartakis. Of er in de gedaante van de Romeinse chefkok Kindermenus ook een beroemdheid geparodieerd wordt, kunnen alleen de landgenoten van Uderzo zeggen. Het zou niet de eerste keer zijn dat een in Frankrijk bekend gezicht zich incognito tussen de Romeinen, Galliërs, Gothen, Britten, Egyptenaren, Noormannen, Afrikanen, Grieken, Hispaniërs, Helvetiërs, Corsicanen, Amerikanen, Belgen of Aziaten mengt.

En toen

In de nieuwe Asterix is heel veel als vanouds. En toch verhoudt De beproeving van Obelix zich tot klassieke albums als De ronde van Gallia of Obelix en Co als geitenmelk tot toverdrank. Dat ligt niet aan de tekenstijl, die nog altijd gekenmerkt wordt door de superieure lijnvoering en de heldere kleuren die sinds De kampioen (1966) Uderzo's handelsmerk zijn. De zwakke stee in de dertigste Asterix is overduidelijk het scenario.

In de gouden jaren van Asterix (1959-1977) was het René Goscinny, de Shakespeare van het beeldverhaal, die de scenario's schreef. Ieder nieuw album vertelde een origineel verhaal met een sterke plot en een logisch verloop. Het gaf niet dat de avonturen zich volgens een vast patroon ontrolden. In de ware Asterix verzint Julius Caesar een nieuwe strategie om het Gallische dorpje te onderwerpen (De Romeinse lusthof, De ziener), of maken Asterix en Obelix een reis naar een ver land met eigenaardige gebruiken (Cleopatra, Het 1ste legioen, De Olympische Spelen). Goscinny kon daar geestig en overtuigend op variëren, Uderzo is daar in de zes episodes die hij in zijn eentje publiceerde maar af en toe in geslaagd - in De Odyssee van Asterix en Asterix in Indusland. Zijn overige soloprojecten kenmerken zich door belegen grappen, ongeloofwaardige gebeurtenissen en uitweidingen om niets.

De beproeving van Obelix illustreert de malaise. In de vertelstructuur regeert het 'en toen-en toen', de lasnaden tussen de nauwelijks met elkaar in verband gebrachte verhaalgedeelten zijn duidelijk zichtbaar. Soms lijkt het of Uderzo niet wist wat hij met zijn eigen verhaal aan moest. Wat bezielde hem om de Galliërs op driekwart van het album een vruchteloze reis te laten maken naar Atlantis, een eiland dat geen enkele mogelijkheid tot satire of cultuurgebonden grapjes biedt?

Als Uderzo werkelijk trouw zou willen zijn aan de door Goscinny gevestigde traditie - de naam van de overleden scenarist staat nog steeds op het titelblad - dan had hij onze Gallische vrienden een reis met een duidelijk doel en een interessante bestemming laten maken. Over de Zijderoute naar China bijvoorbeeld, om papaverbollen te halen voor een doodzieke Bataafse vriend. Of naar de Kaspische Zee voor een tonnetje kaviaar, omdat de snoevende Abraracourcix dat in een onnadenkende bui heeft beloofd aan een bevriend stamhoofd. Vooral Rusland, met zijn rijke, goed te parodiëren natuur en geschiedenis is een goudmijn voor de scenarist, die Asterix als een soort koerier van de tsaar langs Kozakken, Tataren, communistische Vandalen en revolutionaire bergvolkjes zou kunnen laten reizen - geholpen door Gallo-Russische vrienden als Fleksiprov en Apreski, en tegengewerkt door de lokale potentaten Soesjev en Jellesalwelsin.

Maar Uderzo is nog koppiger dan Obelix en bezit ongeveer even veel zelfkritiek als Assurancetourix. Hij heeft nooit willen inzien dat scenarioschrijven een vak apart is, en dat hij na de dood van Goscinny beter niet in zijn eentje had kunnen doormodderen. Net als Morris, de tekenaar van de ook door Goscinny groot gemaakte Lucky Luke-serie, had hij de nieuwe avonturen moeten uitbesteden aan wisselende scenaristen. Dat Uderzo die behoefte nooit gevoeld heeft, is indirect de schuld van het legioen kopers. Hoe slecht de nieuwe Asterix ook was, hij ging telkens weer in miljoenen exemplaren over de toonbank - iets wat ook het geval was bij die andere gedegenereerde successtrip, Suske en Wiske.

Zolang de verkoop alle records breekt, zal Uderzo zelf de scenario's blijven schrijven, onder het motto 'Vijftig miljoen Asterix-fans kunnen geen ongelijk hebben'. Er is dan ook maar één manier om de maker van Asterix te dwingen om hulp te zoeken: een consumentenboycot. Want, zoals iedere lezer van Obelix en Co weet: alleen materiële eenvoud behoedt ons voor hoogmoed en decadentie.