Todden en meuke vliezen

Piet Gerbrandy: Weloverwogen en onopgemerkt. Meulenhoff. 68 blz. ƒ 34,90

Weloverwogen en onopgemerkt: dat is de gedurfde, en ook wel vreemde titel van de debuutbundel van Piet Gerbrandy. Gedurfd, want hij lijkt ons brave, keurige, onopvallende poëzie te beloven - wat geen aanbeveling is, zeker niet voor een beginnende dichter. En vreemd, want er is in de bundel zelf niets dat op een bezadigd gemoed of schuchterheid wijst. Grof en opvallend: zo had dit debuut ook kunnen heten.

Al meteen in het eerste gedicht wordt ons duidelijk gemaakt hoe hier de verhoudingen liggen. Er bevindt zich, zo meldt de dichter bij voorbaat

'tussen u en mij een withete stalen plaat waarop wij spugen voor gezelligheid.'

Een stalen plaat: dat klinkt weinig uitnodigend. Witheet: dat wijst, behalve op verhitting, ook op woede. Spugen, zodat het sist op de plaat: niet echt een beeld voor weloverwogen en onopgemerkt dichten. Intussen dient dit gespuug geen ander doel dan de 'gezelligheid'. Om zulke verbindingen (woede en gezelligheid, norsigheid met een vrolijke ondertoon) gaat het vaak in Gerbrandy's poëzie. Eenduidig is hij zelden. Het bijzondere van zijn gedichten schuilt juist in de verwarrende vermenging van twee of meer tegengestelde gemoedsbewegingen.

Zijn grondtoon is grimmig. Dat het in het leven allemaal niet meevalt, daarover bestaat hier weinig twijfel. De dichter en zijn personages worden regelmatig bezocht door allerlei aanvechtingen en duistere fantasieën. In het korte vers Uit logeren is de aanleiding herkenbaar genoeg: in het vreemde logeerbed probeert de logé zich aan het koude laken te warmen en troost te vinden in de herten die daar voor zijn neus op het dekbed grazen. Maar dan raakt hij in paniek door de verschijning van een kirrende heks die in de volgende strofe weer een geliefde lijkt te zijn:

'Waarna men weer het enge grootje beffen wou. En in de hoek haar afgezette benen.'

Dit zou een particuliere jeugdherinnering kunnen zijn, maar het staat er alsof het iedere logé nu eenmaal zo vergaat. Misschien lezen we hier een droomverslag, maar mogelijk ook het gedachtenleven van een gerontofiel. Het vers heeft iets cabaretesks, maar tegelijk ook iets wrangs.

Verder bevat deze bundel de nodige cynische observaties over het moderne burgerlijke leven, zoals zich dat in zwembaden en bij knuffelmuren, in pretparken, doorzonwoningen en op kantoor afspeelt. Veel van Gerbrandy's gedichten geven treurige portretten van eenzame forensen, ruziënde buren, dronken kermisgangers en uitgebluste echtelieden. Ergens zegt een verder niet met name genoemd dier, en nog wel op het moment waarop zij door haar baas al dan niet mechanisch geïnsemineerd wordt:

'De fictie van contact wordt beleefd en met succes in stand gehouden.'

Het is een eenzame constatering die op bijna alle geportretteerden van toepassing is.

Dit desolate wereldbeeld wordt beschreven in een heel eigen stijl, die nog het best gekarakteriseerd kan worden als weinig toeschietelijk. Gerbrandy dicht in rijmloze regels, met korte, soms onvolledige zinnen. Hij heeft een voorkeur voor het mooie, vreemde, in onbruik geraakte woord, met een licht regionaal (Achterhoeks) accent en met een fiks bargoense inslag. In zijn gedichten wordt met zoveel woorden geluld en geneukt, gelebberd en geslempt. Spog, prut en bagger staan naast todden en meuke vliezen. Er komen soms rare, ingeklonken zinnen in voor, maar ook weelderige: als een feestganger bijvoorbeeld zijn dorstende blik werpt op

'de smijdige flanken van reeuwse room morsende hemels gekapte gevaarten.'

Tussen de drie titelloze afdelingen, van elk achttien gedichten, bestaan nauwelijks verschillen. Zoveel volgehouden grimmigheid en hang naar ontluistering wekt bewondering, zoals elke monomane onderneming, maar roept toch ook de vraag op waar al dit venijn vandaan komt. Gerbrandy lijkt mij een weerbarstige dichter tegen wil en dank, iemand die zich schrap zet, omdat hij niet anders kan. Veelbetekenend in dit verband is een kort gedicht waarin de schoonheid van enkele rookkringels uit een schoorsteen, gezien bij zonsondergang, beschreven wordt.

'Vuil maakt het gaafste beeld van schone avond af': zo expliciet is Gerbrandy zelden, en het lijkt wel alsof hij het excuus van een vuile schoorsteen nodig had om zich eens uit te kunnen spreken. Gerbrandy's debuut zou een veel eentoniger en willekeuriger indruk maken als er niet toch enige compositie aan ten grondslag zou liggen. Elke afdeling wordt besloten met een beschouwelijk vers, waarin venijn en ironie afwezig zijn. Op die plaatsen treedt Gerbrandy even te voorschijn vanachter zijn morsige decor, om in rustige, bijna aforistische bewoordingen zijn weerbarstigheid enigszins toe te lichten. Tot drie keer toe komt daarin de dood ter sprake, als een geruststellende toestand van vergetelheid. Het is mooi, en zowaar ontroerend om te zien hoe onder al deze desolate (zelf)portretten aldus een stoïcijnse bodem wordt gelegd. Ook de titel van deze eerste bundel krijgt, in het laatste gedicht, alsnog zijn juiste uitleg. Als zijn tijd gekomen is, zou de dichter als een anonymus heen willen gaan, in stijl en in stilte: weloverwogen en onopgemerkt.