Reizen op de rand van niemandsland

Patrick Forestier: De trein van de Negus: In het voetspoor van Rimbaud. Atlas, 303 blz. ƒ 39,90

De spoorlijn van Addis Abeba naar Djibouti behoort tot de grote lijnen in Afrika. Zij dateert van het begin van deze eeuw, toen Ethiopië geen eigen uitgang naar zee had. Eritrea was immers nog Italiaans. De Fransen legden de spoorlijn aan voor Ethiopië's in- en uitvoer. De aanduidingen op stations langs de lijn zijn, nog steeds, zowel in het Amhaars als in het Frans. Officieel duurt de reis van 782 kilometer tien uur. Paris Match-verslaggever Patrick Forestier doet er dagen over. In De trein van de Negus: In het voetspoor van Rimbaud beschrijft hij niet alleen het landschap en de mensen die hij onderweg ontmoet, maar ook het falen van de Ethiopische spoorwegmaatschappij.

'De locomotieven zijn uitgeput, de wagons in erbarmelijke staat en de spoorbaan is uiterst krakkemikkig', noteert Forestier. De trein, door de Britse koningin Elizabeth II ooit voorzien van keizerlijke rijtuigen voor de negus (Amhaars voor 'koning der koningen') Haile Selassie, is een smokkelboemel geworden. Duizenden bossen van het verdovende middel qat gaan richting Djibouti. Op de terugweg zijn de wagons volgeladen met gesmokkelde in Ethiopië onverkrijgbare artikelen. De gaten en barsten in de ruiten van de locomotief getuigen van talrijke overvallen onderweg. 'Gisteren is er een aanslag op de trein gepleegd... een raketbom in de kabine ... een spoorwegbeambte gedood.' De smokkelaars, zwartrijders en dieven, zoals Forestier ze noemt, zijn Oromo's, Afars of Somaliërs. Die moeten niets hebben van de centrale regering in Addis Abeba. De trein betaalt voor de politiek.

Tijdens langdurige tussenstops bezoekt Forestier Dire Dawa en Harar. In de eerste stad komen de directeur van de Alliance Fran,caise, een Bulgaarse arts, enkele Grieken en een Antwerpse jood die de baas is van een koffiegroothandel in de schijnwerpers. In Harar gaat hij met zijn landgenoot pater Emile op zoek naar het huis van Rimbaud. Bij zijn aankomst in Djibouti haalt hij opgelucht adem. 'We zijn in een echte stad.'

Forestier heeft een vlotte pen. Hij biedt spanning en schetst helder het onherbergzame oostelijk Ethiopië. Zijn inkijkje in de lokale spoorwegen is pijnlijk en leerzaam. Zijn kritische opmerkingen naar de Ethiopische overheid wekken de indruk dat er van de rest van de samenleving ook weinig deugt.

Jammer is dat de Franse auteur zijn tijd in en rond de trein te veel gebruikt om farenji (blanke buitenlanders) te ontmoeten en te weinig om tot de Ethiopiërs zelf door te dringen. Zelfs Seraphin, zijn Ethiopische gids, komt weinig uit de verf. Ineens verdwijnt de man, 'omdat zijn dochtertje ziek is'. Waarom schrijft hij dat Ethiopische hutten 'stinken' en niet dat zij hun eigen geur hebben? Waarom zijn zo veel mensen in zijn boek dieven en moordenaars en diept hij hun achtergronden niet verder uit? De verwijzing naar Rimbaud in de titel roept verwachtingen op die de schrijver niet waarmaakt. In Harar vindt hij het huis van de dichter en ontdekkingsreiziger, maar ook daar voert zijn cynisme de boventoon. Het is trouwens jammer dat een duidelijke kaart en een verklarende woordenlijst ontbreken.