'Overleven gaat altijd voor eigendom'; Bisschop Muskens over brood en armoede

BREDA, 18 OKT. “Ik kom op voor de armen”, zegt bisschop Muskens. “Dat is mijn taak. Shalom is mijn wapenspreuk. Harmonie voor alle mensen. Samen in de kosmos. Vrede in alle opzichten.”

Hij ontvangt thuis in Breda, onverstoorbaar hamerend op de armoede in Nederland. De prelaat stond de afgelopen weken vrijwel dagelijks in het nieuws door zijn uitlatingen voor de VPRO-televisie dat het stelen van een brood niet altijd verboden is. Letterlijk zei Muskens: “De katholieke moraal heeft altijd al duidelijk gemaakt dat als je zo arm bent dat je niet meer kunt leven, je een brood mag weghalen uit de winkel.” Premier Kok wees de uitspraken van Muskens af. Hij noemde ze “een belediging voor wie nooit zou willen stelen”. Kok: “Ik kom zelf uit een gezin waarin elk dubbeltje moest worden omgedraaid, maar we waren te trots om zelfs maar met een vinger te wijzen naar wat ons niet toebehoorde.”

Muskens: “De discussie over de armoede is begonnen met mijn kritiek op de Troonrede. Eigenlijk is het begonnen met de journalisten die zeiden: we lopen al vier dagen met de Troonrede in onze zak, we willen wel eens iemand hebben die daar kritiek op heeft. Toen kwam er toevallig een interview met mij uit in het tijdschrift Zeggenschap. Daar is men toen op af gesprongen. Wij waren daar natuurlijk blij mee. Wij zijn op 1 juni met tweeduizend mensen in Den Haag geweest voor een demonstratie tegen de armoede. Toen waren er geen politieke partijen, ambtenaren of hoge functionarissen voor ons. Maar na die uitspraken over de Troonrede werden wij bij wijze van spreken gezocht.”

Op de vraag hoe ernstig de armoede in Nederland is, antwoordt de bisschop dat er onderscheid kan worden gemaakt tussen subjectieve en objectieve armoede. “Er is subjectieve armoede, waarin mensen hun levenssituatie als arm ervaren. Deze mensen hebben niet genoeg geleerd om met geld om te gaan. Of ze weten niet de wegen te vinden hoe aan hulp te komen. Zo is er onlangs in Tilburg een onderzoek onder leiding van Hirsch Ballin gepubliceerd. Daarin zeggen achttienduizend mensen in Tilburg dat ze arm zijn en dat ze niet kunnen rondkomen. Men zegt dat objectief gesproken zesduizend mensen ècht arm zijn. Dat wil zeggen dat er voor hen geen mogelijkheid bestaat om rond te komen, ook niet met hulp langs andere kanalen.

“Een ander aspect is of armoede toeneemt. We hebben hier in het bisdom onderzoek gedaan naar armoede in Zeeland, Bergen op Zoom, Breda en Oosterhout. Daaruit blijkt dat de armoede toeneemt. Tussen 1992 en 1995 ziet men een toenemend aantal arme mensen. Het is een voortschrijdend proces. Uit de Europese statistieken blijkt dat Nederland de minste armoede kent. Dat is mooi. Maar je moet oppassen met dat voortschrijdende proces. Er is iets aan de hand in Nederland. Het probleem wordt ernstiger.

“Als ik het over armoede heb, dan refereer ik aan een zodanig gebrek aan financiële middelen dat men sociaal geïsoleerd raakt. Kinderen kunnen niet meer dezelfde kleren kopen als andere kinderen op school dragen. Deze mensen sterven dan wel niet van de honger, maar ze kunnen sociaal niet meedoen. Mensen schrijven mij dat ze hun kinderen van school moeten halen omdat ze de ouderbijdrage voor kinderen vanaf zestien jaar niet kunnen opbrengen. Dan krijg je de gevolgen. Die kinderen worden opstandig. Je krijgt een rebelse jeugd. Het gevaar van de misdaad komt.”

Drie groepen Nederlanders verdienen volgens de bisschop speciale aandacht: alleenstaande bejaarde vrouwen met alleen een AOW, alleenstaande bijstandsmoeders en langdurig werklozen tussen de 35 en 55 jaar oud. Muskens: “Het grootste percentage van mensen die het slecht hebben zijn alleenstaande bejaarde vrouwen die nooit een pensioen hebben kunnen opbouwen. Ze hebben alleen een AOW. Als faciliteiten in de zorgsector worden geëlimineerd, dan kunnen ze het niet meer rooien. Die mensen raken geïsoleerd. Ze zitten op hun kamertje. Ze doen niet meer mee met buurtbijeenkomsten. Ze kunnen de contributie voor de bejaardenbond niet betalen. De telefoonrekening. Die zaken horen in Nederland allemaal bij het welbevinden. Deze mensen moeten meer geld krijgen.

“Je hebt ook een grote categorie alleenstaande moeders met kinderen. Ik zou er op willen wijzen dat het opvoeden van die kinderen een sociale weldaad is, maar dat deze moeders met een bijstandsuitkering zodra de kinderen vijf jaar oud zijn moeten solliciteren om van hun eerste inkomsten een kindermeisje te betalen. Daar wringt nogal wat. Kan dat niet veranderen?

“Ook krijg ik heel veel brieven van werkloze mensen tussen de 35 en 55 jaar oud met opgroeiende kinderen. Die mensen voelen aan dat ze niet meer aan bod komen. De kinderen worden opstandig. Wij stellen voor om bedrijven en openbare instellingen van zekere omvang te verplichten om bij het aannemen van nieuw personeel een bepaald percentage mensen van boven de 35 jaar aan te nemen.”

Wat doet de kerk voor arme mensen?

“We hebben in dit bisdom twaalf mensen fulltime in dienst, twee per dekenaat, die vrij zijn voor dit soort kwesties. Elk dekenaat heeft een arbeidspastor en iemand voor de diaconie. Er wordt voor dat werk elke maand een keer gecollecteerd. Mensen komen dus niet vragen of ik honderd gulden voor ze heb. Ze kunnen terecht bij deze mensen. Soms kunnen ze geld of goederen krijgen. Maar vooral moeten ze daar steun krijgen bij het aanvragen van vrijstellingen van belastingen. Lokethulp noemen we dat. En verder kaarten we bij de overheid de oorzaken van armoede aan. Vragen of er iets aan gedaan kan worden.”

De regering doet toch wel iets? Vorig jaar was er in de Troonrede sprake van stille armoede, dit jaar van sociale uitsluiting.

“De Koningin heeft in 1995 drie zinnen besteed aan de armoede. Dit jaar werd terloops opgemerkt dat er geld uitgegeven wordt ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Daar heb ik de Troonrede om geprezen. Maar men moet er wel voor zorgen dat deze beloftes niet gaan behoren tot die dertig à veertig procent van mooie beloftes in Troonredes die nooit worden uitgevoerd. Dat heeft de Erasmus Universiteit voor ons uitgezocht. Er moet misschien iets bijgestuurd worden aan ons economische systeem van de vrije markt om de trend naar meer armoede te stoppen. Wat precies weet ik niet. Daar heb ik geen verstand van. Ik heb in elk geval wel genoeg verstand om te zeggen, en daar wordt ook in de encyclieken voortdurend voor gewaarschuwd, dat de sociale dimensie niet uit het oog mag worden verloren. Op elk bezit rust een sociale hypotheek: is het verantwoord dat bezit te hebben of te gebruiken gezien de eis van de rechtvaardige verdeling van de goederen. Zolang er armoede is, blijft deze sociale hypotheek rusten op bezit.

“Bijvoorbeeld het bijklussen. Mensen lezen in de krant dat iemand die zeshonderdduizend gulden verdient nog bijklust voor driehonderdduizend gulden. Maar iemand die nauwelijks rond kan komen van zestienhonderd gulden en die wordt betrapt als ze voor 25 gulden gaat babysitten om de kinderen goed te kunnen kleden of die bij de buren het gordijn gaat maken, die moet een boete betalen. Die wordt gestraft. Dan zeg ik: is het niet mogelijk dat er een wet komt die vastlegt dat mensen die zo weinig verdienen, verlof krijgen om tot een bepaald bedrag bij te verdienen zodat ze net boven de streep komen.”

Elk bezit schept de verplichting om rekening te houden met de armen?

“Volgens de kerk, ja. En de overheid zou maatregelen moeten treffen. Onze demonstratie van 1 juni was niet alleen een demonstratie tegen de verarming maar ook tegen de verrijking. Er is steeds meer geld in Nederland, steeds meer rijkdom. Het is eigenlijk de taak van de overheid om de rijken iets minder te laten verdienen. De overheid moet corrigerende maatregelen nemen.

“Ik vraag heus niet aan de regering om alles op te lossen. Er moet ook veel particulier initiatief losgewoeld worden. Ook andere mensen moeten zich ervan bewust worden dat het onverantwoord is om armoede zomaar te laten ontstaan. Die mensen kunnen natuurlijk zeggen: ik doe mijn best, ik heb zo veel werkgelegenheid gecreëerd enzovoorts, dus al het geld wat ik verder verdien mag ik zelf gebruiken. Maar er bestaat ook een samenleving als geheel waarin men verantwoordelijkheid moeten nemen. Vandaar het concrete voorstel om langdurig werklozen in dienst te nemen.”

Wat vindt u van de reacties op uw uitspraken over het wegnemen van een brood?

“Ik stond verbaasd dat zo weinig mensen wisten dat dit principe zo oud is als de mensheid, zo oud als de bijbel, zo oud als de kerk. De priester die op mijn lagere school de catechismus uitlegde, gebruikte altijd het voorbeeld van het brood. En niet alleen bij ons in Elshout. Op alle katholieke scholen was dit het klassieke voorbeeld. Ook rechtenstudenten worden met het voorbeeld van het brood opgeleid om artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht uitgelegd te krijgen. Het zogenaamde overmachtsartikel. Ik heb brieven van rechters en politiemensen gehad waarin ze mij gelijk geven. Ze geven voorbeelden van mensen die de wet hebben overtreden en die toch worden vrijgesproken.”

Aan wat voor noodsituaties denkt u dan?

“In Nederland komt het natuurlijk niet voor dat mensen zo arm zijn dat ze een brood moeten stelen. Ik zal u een ander voorbeeld uit de jurisprudentie geven. Iemands bril valt kapot. Hij kan helemaal niks meer zien. Hij gaat naar de opticien. Het is sluitingstijd geweest. De winkel moet dicht zijn volgens de wet. De opticien doet zijn winkel open en geeft hem alsnog een bril om te kunnen zien. Hij wordt voor de rechtbank gedaagd. En hij wordt vrijgesproken. Ik wil maar zeggen: overleven gaat voor eigendom. Nood breekt wet. Als leven in gevaar komt en er is bezit in de buurt, dan heeft degene van wie het leven in gevaar komt recht op dat bezit van een ander. Ik ben verbaasd dat men dat niet weet.”

Wat vond u van de reactie van premier Kok?

“In een van de ingezonden brieven schreef iemand die uit dezelfde straat kwam als Kok vroeger dat het vooral in de jaren 1932 en 1933 arm was. Toen Kok geboren werd, was het 1938. En bovendien heeft Koningin Wilhelmina nooit in de Troonrede gezegd dat het goed ging.”

Premier Kok was dus helemaal niet zo arm?

“Ze zullen het wel slecht gehad hebben. Hij heeft dat ook te vlug gezegd, hoor, in de haast. Ik geloof niet dat hij dat nog een keer zou zeggen.”