Over slechte mannen en een verdachte liefde

Mijn eerste auto was een eend. Gewoon uit de krant gekocht denk ik, voor 500 gulden. Een jaar later verkocht ik hem weer, ook voor 500 gulden. Ach zo'n eend, dat was natuurlijk geen auto, meer een anti-auto, een anti-autoritair idee op wielen, niks voor mij.

Ik had inmiddels de ware ontmoet, de levenslange liefde van mijn leven, de oorzaakloze beweegster, die tot op de dag van vandaag mijn jongensdromen doet daveren. Ik heb het over de Austin Healey 3000 mk III, de mooiste Engelse sportauto die ooit gebouwd is.

De mijne was in 1970 zes jaar oud, British racing-green, voor 4.000 gulden gekocht bij een particulier in een mooi Haags laantje dat al wat schemerde in september. Daar stond ze. O de naar achteren neerwaarts lopende lijnen waardoor het leek of ze achteroverleunde in een pose die een mengsel was van erotische loomheid en wegschietende snelheid. My heart stood still. Ik liet mij neer in mijn nieuwverworven bezit, beter gezegd: ik ging erin liggen.

De geur van olie en leer en nog iets ondefinieerbaar eigens!

De diepe ronk van de zes-cilinder lijnmotor toen ik hem voor het eerst startte!

Volkomen in trance reed ik naar huis, kalmpjes aan weliswaar, want het stuur was heel direct en bij de minste aanraking van het gaspedaal spoot de auto rukkend en schuddend vooruit (later trok ik vanuit stilstand meestal op in de tweede versnelling omdat het in de eerste eigenlijk niet op een beschaafde manier kon).

Waar de Healey verscheen verbleekten de sterren. Maar ik was niet de enige vrijer. Het regende ongewenste intimiteiten. Nog nooit ben ik zo vaak door grijnzende agenten aangehouden als toen ('Mogen we even uw papieren zien?'). Constant werd ik ingehaald door auto's die ikzelf net had ingehaald. Of ze bleven een tijdje naast me rijden, joelend en grimassend, om dan weer af te zakken in m'n slipstream. Als een stoplicht op groen sprong scheurde alles om me heen met brullende motoren weg, als ik nog moest inschakelen. Gek werden al die kerels als ze haar zagen, al die slechte mannen. Hoorde ik daar ook bij? Op weg naar het antwoord een paar anekdotes.

Ik dreef in die tijd een klein winkeltje om in mijn studentenonderhoud te voorzien (je had dan meteen ook een huis). Aardige collega-winkeliers en goedbedoelende klanten raadden me met klem aan de auto niet voor de deur te parkeren omdat de mensen, die dan zouden zien 'wat ik met hun centen deed' massaal weg zouden blijven. Provo's 'misselijk makende middenstandsmentaliteit' was hier nu eens van toepassing op de geachte clientèle.

Het vergrijsde lerarenkorps op de school waar ik een paar uurtjes lesgaf om de benzine te kunnen betalen (de drie-liter (!) motor gebruikte 1:4) keek mij vanwege die auto aan met diep burgerlijke weerzin: patser, verkwister, snotneus met kapsones.

Mijn goed-burgerlijke middenstandsfamilie smeekte me af te zien van de voorgenomen koop omdat die ver boven mijn stand zou zijn (ze bedoelde dat het gewoon niet hóórde) en haar koor zwol aan toen mijn eerste exemplaar door een joy-ridende neef al na een week in de prak was gereden en ik de 4.000 gulden die vanaf zijn bankrekening naar de mijne was gevloeid wederom in een Austin Healey wilde steken. “Doe het niet! Je ziet wat ervan komt.” Die logica was niet aan mij besteed en ik deed het toch.

Ik reed met die tweede auto ook wel naar college, maar was zo verstandig het ding om de hoek te parkeren, want op het Amsterdamse Instituut voor Neerlandistiek waren de bordjes inmiddels in radicaal-revolutionaire richting verhangen, ook bij mij intern overigens: ik kon behoorlijk links uit de hoek komen. Het gevolg was dat mijn verrukkingen altijd werden aangelengd met een scheutje schaamte. Werd Harry Mulisch niet gehoond ('gemotoriseerde relletjesvoyeur', dixit Reve) omdat hij zich als Cuba-kampioen met een Triumph TR4 volkomen ongeloofwaardig maakte (maar Hermans natuurlijk niet met zijn Morgan want die was al rechts)?

Iedereen was dus tegen en ikzelf eigenlijk ook. Gelukkig maakte geldnood (“Zie je wel!” kraaide de familie onhoorbaar) al na een jaar een einde aan mijn liefde en mijn verwarring en ik verkocht haar voor 4.000 gulden terug aan de handelaar bij wie ik haar had gekocht. Het was, met de toepasselijke woorden van de dichter Bloem, 'even tussen twee stilten luid geweest'. Maar was ik nu slecht?

Misschien is het waar - Freud zal het weten - dat vooral de mannelijke seksualiteit tot uitdrukking komt in de auto, maar wat dan nog? Onze afkeer geldt natuurlijk de slechte man, de agressieve macho, die denkt dat zijn auto hem het recht geeft overal voor te dringen, maar dat denkt hij buiten die auto ook. In de jaren zeventig dachten wij overigens dat iedere sekse-voorkeur cultureel bepaald was en lieten we onze dochters met autootjes spelen, zonder veel resultaat. Voor pronkzucht, het zogenaamde showrijden, werd ik te veel geremd door schaamte. Blozend reed ik met open kap wel eens per ongeluk langs een terras. Nee, ik ervoer het rijden in de Austin Healey meer als een lager, breder niveau van bewustzijn, een soort uitstromen, opgeheven worden, contemplatie op het niets. Het liefst toerde ik in m'n eentje door de eindeloze leegte van de IJsselmeerpolders, met neergelaten kap, in overdrive, onder een strakblauwe hemel, ruimte buiten, beschutting binnen, zoals je dat kunt hebben op een zeilboot. En af en toe een beetje spelen: haar uit de overdrive klikken en de arme schat even een kilometertje opjagen tot ver boven de maximumsnelheid, om dan weer loom terug te zakken, het gebulder van de wind nog in de oren.

Ik vond mezelf dus niet slecht (wie wel?), maar met het verstrijken van de autohatende, extreem politiek-correcte jaren zeventig greep het idee dat mannen als ik niet deugden stevig om zich heen, dus ik zweeg over mijn hartstocht. Autorijden was toegestaan als het, zeg maar, een bebutste besteleend betrof, die je niet mocht wassen, en waarvan je altijd moest zeggen dat hij soms handig was maar dat je liever met de trein ging vanwege het milieu.

En nu? Met het verdwijnen van het linkse elan uit de linkse gemeente is ook de rabiate autohaat vrijwel verdwenen. De auto is een maatschappelijk probleem dat niemand meer persoonlijk wordt aangerekend. Ik kan nu rustig voor mijn afwijking uitkomen ('outcoming'), al blijft men mij wat meewarig aankijken, en al zijn er nog steeds restricties. Een Duitse auto is bijvoorbeeld uit den boze. Niets staat mij dus in de weg, zou je zeggen, om na 25 jaar mijn oude liefde, die nooit uit mijn hoofd is weggeweest, weer eens op te zoeken.

Helaas, ze is onbereikbaarder geworden dan ooit. Voor een mooie moet je zo'n 70.000 gulden neertellen en dan kun je er alleen maar van die lullige tochtjes mee maken op zondagmiddag. Als je haar namelijk gewoon als auto zou gebruiken en op straat parkeren, wordt ze binnen een week gestolen, verzekert mij de verzekering die haar niet wil verzekeren. Er is dus geen hoop meer voor mij. Een surrogaat misschien? De BMW Z3 bijvoorbeeld. Kan (en wil) ik die dan betalen? Gelukkig hoef ik me dat niet af te vragen want twee andere problemen staan onoverkomelijk de aankoop van deze inderdaad enigszins Healey-achtige in de weg: is Duits en een van de voorkeursmerken van slechte mannen. Ben ik toch weer politiek correct.