Ontberingen in het oosten

Karina Meeuwse: Opkomst en ondergang van de Ruslui. Bruna, 198 blz. ƒ 29,90

Gelokt door gunstige berichten trokken rond 1740 de eerste arme boeren uit het Overijsselse dorpje Vriezenveen naar Sint Petersburg om er hun geluk in de handel te beproeven. 'Ruslui' werden ze al snel genoemd. Ze kozen voor die zware, onzekere en hachelijke onderneming omdat ze een beter en rijker leven wilden (en soms ook wat avontuur). Ze handelden aanvankelijk in linnen ('Hollands linnen' was een begrip), maar later ook in tabak, thee, cacao en Haarlemmerolie. Omstreeks 1860 kreeg hun verblijf in het mondaine en snel groeiende Sint Petersburg een blijvend karakter. Dank zij betere verbindingen konden de vrouwen makkelijker met hun mannen meekomen. Kinderen werden voortaan in Rusland geboren en kregen een Russische opvoeding; de zo lang gekoesterde band met Vriezenveen verslapte.

De Hollandse kolonie bestond bijna twee eeuwen. Na de Russische Revolutie van 1917 was het ermee gedaan; buitenlanders werd alles ontnomen. Even berooid als ze waren gekomen, keerden de laatste Ruslui noodgedwongen terug naar huis - blij dat ze tenminste nog leefden.

Filmmaker en scenarioschrijver Karina Meeuwse heeft met liefde en toewijding de geschiedenis van deze Nederlandse Ruslandgangers vastgelegd. In de filmdocumentaire Ruslui en het boek Opkomst en ondergang van de Ruslui. Ze kon beschikken over een groot aantal persoonlijke documenten, waaruit zij rijkelijk citeert. Het is opmerkelijk hoeveel er is overgeleverd: brieven, dagboeken, memoires, reisbeschrijvingen.

Het persoonlijke element maakt de lectuur aantrekkelijk. Veel verhalen zijn niet anders te omschrijven dan als smartelijk. In 1835 bijvoorbeeld, in de tijd dus dat de vrouw nog niet meeging, gaat Engbertus Engberts weer voor een jaar naar Rusland. Het afscheid van zijn vrouw Gerharda is zwaar. Zij is zwanger en ziet erg tegen de bevalling op; Engbertus wil zijn vertrek echter niet uitstellen. Eenmaal in Sint Petersburg bereikt hem al snel het bericht dat zijn vrouw bij de geboorte van hun zoontje is overleden. Aan zijn schoonouders en schoonzusjes schrijft hij:

'(...) zij wenschte zoo innig dat ik zoo lang blijven zou, en ieder brief droeg de kenteekenen, dat haar het vooruitzigt op de ontbinding te zwaarder op het hart woog, omdat ik verre was. Ach, ik schreef dat toen alles aan eene natuurlijke doch overdreevene angstvalligheid toe (...), maar thans gevoel ik hevige knaging en berouw!'

In 1826 was het de beurt aan de 14-jarige Jacob Kruys om in de voetsporen van zijn familieleden te treden en als leerjongen naar Sint Petersburg af te reizen. De reis per huifkar duurde veertien dagen en was allesbehalve comfortabel. In Rusland wachtte de leerjongens een harde tijd. Na 1850 - eerder was het nog erger - kregen ze pas na vijf jaar verlof om de familie in Vriezenveen te bezoeken. Als ze dat haalden: slechte hygiëne en het grillige klimaat eisten hun tol. Het gebeurde nogal eens dat een familie de koopman-in-spe niet levend terugzag. Een bericht dat de dode op het kerkhof Volkovo begraven was, betekende dan het einde van de droom.

Martinus Pruim is nog maar dertien als hij in 1862 vertrekt. Zijn arme ouders zien geen andere mogelijkheid, ondanks het feit dat een eerder uitgezonden zoon in Rusland dodelijk ziek werd. Ontroerend zijn de (dertien!) raadgevingen die zijn moeder Martinus meegeeft en groot is het enthousiasme waarmee hij de nieuwe wereld betreedt. Hij geniet, maar niet voor lang. In het ziekenhuis waar hij als zeventienjarige voor een onschuldigs kwaal is opgenomen, loopt hij dysenterie op - met fataal gevolg.

Meeuwse schreef haar boek ter nagedachtenis aan 'MP'. Ik neem aan dat die initialen verwijzen naar Martinus Pruim. Als dat zo is, dan is zij glansrijk geslaagd in haar poging met dit boek een monument voor hem op te richten.