Mythen van het vroege Rome; Wolvenkinderen en hoerenzonen

T.J. Cornell: The beginnings of Rome. Italy and Rome from the Bronze Age to the Punic Wars (c.1000-246 BC). Routledge, 507 blz. ƒ 51,80 / ƒ 142,- (gebonden)

T.P. Wiseman: Remus: a Roman myth. Cambridge University Press, 243 blz. ƒ 41,95 / ƒ 102,90 (gebonden)

Demetrius Waardenburg: Satricum. Kroniek van een opgraving. Nederlands studiecentrum voor Latium (vakgroep Mediterrane archeologie/Universiteit van Amsterdam), 100 blz. ƒ 12,-

In het jaar 55 voor Christus schrijft Cicero aan zijn vriend en historicus Lucceius een verzoek om een monografie te schrijven over de Catilinarische samenzwering, een samenzwering tegen de Romeinse republiek die eerder door Cicero zelf als consul was verijdeld. Over zijn eigen rol vraagt Cicero, geheel conform zijn karakter, Lucceius het volgende: “Zet mijn daden maar flink aan, eventueel meer dan je zelf verantwoord acht en veronachtzaam de wetten der geschiedenis maar ... en als onze vriendschap je voor mij inneemt, haal daar dan vooral de neus niet voor op ...”

Dit is even schrikken. Althans voor ons. Want ondanks de betuigingen aan de onpartijdigheid waarmee Sallustius, Livius en Tacitus hun werk opsieren, zijn partijdigheid en patriottisme een wezenskenmerk van alle Romeinse geschiedschrijving. Cicero's schaamteloze uitnodiging tot geschiedvervalsing is nu eens niet alleen te wijten aan zijn vermaarde ijdelheid.

Wanneer bronnen overvloedig aanwezig zijn - zoals over Cicero's tijd waarvan we de geschiedenis niet alleen van dag tot dag maar vaak zelfs van uur tot uur kunnen volgen - is het fundamentele verschil tussen de ouden en onszelf als het om begrippen als waarheid en historiciteit gaat niet zo rampzalig.

Maar dat geldt niet voor het vroegste Rome. Dat is voor de oud-historici een woestijn: de bronnen zijn schaars, en alleen de alleravontuurlijksten durven zich er te wagen.

Voor de stichting van de stad, de koningstijd en de vroege republiek is Livius verreweg de belangrijkste bron. Maar Livius is juist zo onbetrouwbaar omdat hij een Romeins historiograaf is. Dit begreep men in de negentiende eeuw, toen de studie van het vroegste Rome pas goed op gang kwam, heel goed. Zo verklaarde de gigant der Altertumswissenschaft, Theodor Mommsen, in zijn Römische Geschichte plechtig dat het begin van Rome maar altijd in de mythische mist moest blijven waar de ouden het hadden achtergelaten. Nu, na honderd jaar vorderingen op archeologisch en historisch terrein, lijken zich echter nieuwe mogelijkheden aan te dienen. Recente studies trachten dan ook de mist van Mommsen te doen optrekken. Twee fascinerende boeken mikken daarbij op een breder publiek. Het beeld dat daarin van het vroegste Rome geschetst wordt, gooit de gevestigde opvattingen rigoureus omver.

In de eerste plaats is daar de Britse oud-historicus Tim Cornell. Zijn The beginnings of Rome maakt gebruik van zoveel mogelijk nieuwe gegevens. Die gegevens zijn vooral het gevolg van spectaculaire ontwikkelingen in de archeologie in de laatste decennia, in het bijzonder van Rome en Latium. In Rome zelf en in Lavinium zijn belangrijke vondsten gedaan. Zo ook in in Satricum in Zuid-Latium op zestig kilometer van Rome, waar al honderd jaar wordt gegraven en Nederlands archeologen recent verbluffende resulaten hebben geboekt. De archeoloog Demetrius Waardenburg uit Amsterdam heeft hierover dit jaar het boek Satricum. Kroniek van een opgraving geschreven. Daarin schetst hij een zeer levendig beeld van de omstandigheden waaronder de archeologie in Rome eind vorige eeuw werd bedreven.

Vooral de in Satricum opgegraven tempel van Mater Matuta (een lokale vruchtbaarheidsgodin) en vooral de ongehoorde rijkdom aan grafvondsten, votiefgeschenken en architectonische ornamenten uit de archaïsche periode, hebben de directe buren van het vroege Rome nu een gezicht gegeven. Zo'n gezicht hadden tot voor kort alleen de Etrusken en in mindere mate de Romeinen zelf. Deze vondsten uit Latium stellen de historicus nu in staat het culturele klimaat waarin de Romeinen 'opgroeiden' met vele nieuwe accenten te schetsen. Volgens Cornell moet de traditionele Rome- of Etrusco-centrische benadering van deze periode plaats maken voor een 'peer polity interaction'. Zo kan hij de culturele veranderingen verklaren uit contacten, uitwisseling en competitie tussen autonome centra in dezelfde streek. Zulke centra spreken een koinè , een gemeenschappelijke culturele 'taal'. De 'taal' van deze centra in Latium en Etrurië was sterk beïnvloed door de Griekse kolonies uit Zuid-Italië. Cornell is goed op dreef als hij de Homerische beschrijvingen van gastgeschenken met de grafgiften uit Latium vergelijkt. Daardoor ontstaat een prachtig synchroon beeld van Midden-Italië en de Griekse wereld. Cornell presenteert ons bovenal een dynamisch en bedrijvig archaïsch Latium, met vooral een grote culturele mobiliteit. De specifiek Romeinse inbreng - bij Livius nog de stoere 'niet-lullen-maar-kool-eten'-mentaliteit - reduceert hij tot niet meer dan een geweldig absorberingsvermogen van de Romeinen. In een zeldzaam moment van schalksheid spreekt hij van Roma cittá aperta, de 'open stad' uit Rosselini's beroemde film.

Tiran

Cornell gebruikt voor zijn analyses het model van de Griekse stadstaten. Instructief is bijvoorbeeld de vergelijking tussen de laatste koningen van Rome, volgens de overlevering de Tarquinii, en het verschijnsel van de tiran in de Griekse polis. Volgens veel moderne historici waren de laatste Romeinse koningen Etruskische overheersers. Cornell wijst er echter op dat de Tarquinii, net als andere aristocraten in Etrurië en Latium, opportunistisch en mobiel genoeg waren om zich vrij in het open Rome te vestigen. Daar eenmaal aan de top geraakt, transformeren ze het 'Homerisch' koningschap van een primus inter pares tot het model van de tirannie in de Griekse stadstaten. Met Etruskische overheersing heeft dit volgens hem niets te maken.

Cornell doet veel, misschien zelfs te veel, moeite om de Etrusken uit de Romeinse geschiedenis weg te schrijven. Wel overtuigend, maar wat summier, is zijn historiografische beschrijving van de golfbeweging in de waardering voor de Etrusken. In de vroege negentiende eeuw waren de Etrusken de kampioenen van het autochtone Italië voor de ontluikende Risorgimento. Onder de fascisten werden ze het toonbeeld van een pan-Italische Romanitá. Kortom, de geschiedenis werd zoals zo vaak speelbal van politieke cultuur. Toch krijgt men bij Cornells beschrijving van een Etrusco-Latiaal-Campaanse open society wel eens de indruk dat ook hij zijn politieke voorkeuren de loop der geschiedenis laat dicteren. Appius Claudius Caecus, de man van de Via Appia, wiens speech tegen de vrede met Pyrrhus alle Romeinse schooljongens uit het hoofd moesten leren, wordt door hem als een revolutionair en visionair sociaal-democraat beschreven. Dat staat wel ver af van de aartsreactionair die we uit Cicero kennen.

Archaïsch Rome heeft, als het aan Cornell ligt, dus niets van het idyllisch-pastorale primitivisme dat we uit Livius en de Augusteïsche poëzie kennen. Gesterkt door de resten van monumentale woningen en de voor die tijd haast megalomane afmetingen (61 bij 55 meter) van de tempel van Jupiter, Juno en Minerva op het Capitool (gewijd rond 500) bombardeert hij het laat archaïsche Rome tot 'show-place of the mediterranean', niets minder dan een wereldstad.

Dat brengt ons bij een problematische kant van dit voortreffelijke boek. Want als Rome een wereldstad was rond 500 voor Christus, waarom heeft bijvoorbeeld Herodotus het er dan nooit over? En sterker nog, waarom zou de patriot Livius het niet van alle daken schreeuwen? Misschien speelt de vertekening die Livius, als patriottisch moralist maar vooral als tijdgenoot van Vergilius in het verleden projecteert, een rol. Het lijkt aannemelijk dat Livius' geschiedbeeld, evenals de Aeneis van Vergilius, onderworpen is aan een vooraf opgelegd patroon. Dit patroon zou men enerzijds teleologisch en anderzijds typologisch kunnen noemen. Teleologisch omdat de geschiedenis wordt opgevat als een cyclus, die degenereert van ideaal (stichting en vroegste geschiedenis) tot nachtmerrie (de perversiteiten en burgeroorlog van de late republiek) om uiteindelijk weer tot een nieuwe Gouden Tijd terug te keren (de regering van redder Augustus). Typologisch omdat van die nieuwe Gouden Tijd sporen en aankondigingen in het verleden moeten worden teruggeprojecteerd omdat alleen zo een coherente cyclus kan worden geschapen. De wil om een dergelijke lijn in de geschiedenis te trekken is vanaf Livius' eerste paragraaf duidelijk.

Het beeld van Cornell, van hoog-bloei in de late zesde eeuw gevolgd door een crisis in de vijfde, past niet in die gelijkmatige ontwikkeling van klein maar deugdzaam naar groot maar decadent, die Livius zijn publiek als morele spiegel wil voorhouden. Daarom houdt Livius het vroege Rome klein. Cornell zou in zo'n redenering als deze een bevestiging van zijn theorie kunnen vinden. Maar een bespreking van zijn literaire bronnen ontbreekt helaas. En dat is des te vervelender, omdat hij zo vaak als hij kan de literaire overlevering volgt en Livius' versies verdedigt, en hem slechts afwijst als het hem niet uitkomt. Van willekeur in dit opzicht is het boek denk ik niet vrij te pleiten.

Het inzicht dat wat wij over Rome denken te weten, eigenlijk de schepping van een “Vergangenheit nach ihrem eigenem Bild” (in de woorden van de negentiende-eeuwse historicus Niese), is wel de kracht van een bescheiden studie van een tweede gereputeerde Engelse hoogleraar, T.P. Wiseman. De hoofdstelling van zijn boek Remus: a Roman myth is hoogst controversieel en misschien zelfs niet verdedigbaar. Maar wel een klein meesterwerk. Wiseman lijkt een broodje aap te serveren - maar zo goed klaargemaakt dat het lekker is.

Welk broodje aap wil Wiseman ons verkopen? Hij herkent allereerst (zoals vele anderen voor hem) in het Romulus-en-Remus-verhaal twee anomalieën: de ongehoorde hoeveelheid varianten (in totaal 652, waaronder bijvoorbeeld: Romulus en Remus regeren samen, Remus overleeft Romulus, Remus komt niet voor) èn de weinig verheffende aard van het verhaal.

Om met het laatste te beginnen. In de kanonieke versie stoot boze broer Amulius zijn goede broer koning Numitor (van Alba Longa, ruim 300 jaar daarvoor gesticht door Aeneas' zoon Ascanius) van de troon. Amulius dwingt Numitors dochter tot rituele kuisheid (als Vestaalse maagd) om eventuele latere troonpretendenten te voorkomen. Zij wordt echter bezwangerd door de oorlogsgod Mars en baart een tweeling. Deze wordt nog net niet gedood maar, wat netter, aan de elementen en roofdieren blootgesteld in een mandje in de Tiber. Het mandje strandt en een vriendelijke wolvin treft de huilende tweeling aan, begint ze te likken en geeft ze de borst. Toevallig ziet herder Faustulus dit wonder, neemt de kleintjes mee en voedt ze op. Zij groeien op tot sterke herders (die ook wel eens wat stropen), maar raken met een naburige bende in conflict. Remus wordt tijdens zo'n conflict gevangen genomen en voor Numitor, die geïsoleerd op zijn landgoed leeft, geleid. Deze herkent hem als zijn kleinzoon. Eendrachtig verjagen allen nu Amulius, waarna de twee jongens een eigen stad op de plaats van het wonder willen stichten. Maar bij de stichting ervan wordt Remus door zijn broer of een handlanger gedood.

Als men het zo leest, is het toch merkwaardig dat de talloze leerlingen in het vak Latijn dit verhaal uit hun schoolboekje voor zoete koek aannemen. Om van hun leraren maar te zwijgen. Want wie Romulus' carrière brutaal samenvat krijgt het volgende beeld: 1. zoon van een Vestaalse maagd bij een anonieme vader (ze zei dat het Mars was); 2. stiefmoeder in de prostitutie (lupa betekent naast 'wolvin' ook 'hoer'); 3. jeugd doorgebracht als roverhoofdman; 4. volgelingen bestaan uit bijeengeraapt tuig; 5. belazert zijn broer Remus bij een wedstrijd; 6. vermoordt zijn broer als deze over zijn muurtje springt; 7. is alleen in staat vrouwen voor hemzelf en zijn mannen te krijgen door ze te ontvoeren (Sabijnse maagdenroof). De Grieken zeiden het al: de Romeinen zijn barbaren, als je hun eigen verhaal moet geloven.

Zoenoffer

Deze vele varianten en merkwaardige accenten duiden er nu volgens Wiseman op dat deze mythe niet kant en klaar is gefabriceerd, zoals men al te makkelijk aanneemt, maar in vele fasen is geëvolueerd tot het amalgaam dat ons is overgeleverd. Hij beweert dat in die evolutie de Remus-figuur een late, eind vierde-eeuwse, toevoeging is. Op grond van bronnenvergelijking is aannemelijk dat Romulus in de vierde eeuw nog zónder broer bij de Griekse historicus Alcimus figureerde. De toevoeging zou zijn ingegeven door politieke veranderingen, te weten het einde van het politieke monopolie van de patricische elite, dat werd doorbroken door de plebeïsche families die vanaf 343 voor Christus ook ieder jaar een consul mochten leveren. De beslechting van deze standenstrijd zou in Romulus' tweeling, de trage Remus, vorm hebben gekregen: als een stabiliteit uit tweeëenheid.

Maar waarom slaat Romulus Remus dan dood? Wiseman denkt dat Remus een paar generaties later alweer is geëlimineerd, toen Samnieten, Galliërs en Etrusken zich in 296 (voor Chr.) tegen Rome verenigden en het voortbestaan van de staat hachelijk werd. Remus zou toen zijn voorgesteld als een zoenoffer voor de redding van de stad, omdat 'een ieder die over mijn muur springt' dood moet, zelfs een broer.

Kenners van Griekse tragedies weten dat daarin mythen een spectaculaire draai kunnen krijgen. Maar dit gaat wel ver. En ook al geeft de parallel met het verhaal van de eerste consul Brutus, die zijn zonen wegens landverraad laat executeren, aan dat Romeinen in mythen het landsbelang graag boven het persoonlijke laten prevaleren, toch is deze eliminatie van Remus erg onwaarschijnlijk. Voor broedermoord (en andere aspecten van het verhaal) zijn gewoon te veel parallellen met niet-Romeinse en zelfs niet-Westerse mythologie. Het verhaal van Kaïn en Abel is er één onder velen.

Maar wat staat tegenover deze ongeloofwaardigheid een massa aan wetenswaardigs! Niet alleen behoort Wisemans stijl tot een categorie die binnenkort wel zal uitsterven. Maar het is ook de benijdenswaardige eruditie van de schrijver die de uitweidingen tot zo'n genot maakt, of die nu gaan over de diaspora van de Trojaanse mythologie in Italië, de antiquarisch en religieus-historische aspecten van Romeinse feesten als de Lupercalia, de Romeinse spelen en het daar vertoonde theater als vehikel voor de mondelinge overdracht van mythen dan wel de slothoofdstukken over de historische vertekeningen door zowel de Augusteïsche propagandisten als het moderne Hollywood.

Wisemans benadering van de elasticiteit van Greco-Romeinse mythen, met een scherp oog voor Liviaanse en andere vertekeningen, verdient navolging. Ook als zijn stelling niet juist blijkt.