Met Picasso terug naar Berlijn; Een paleis voor de kunstverzameling van Heinz Berggruen

De joodse publicist Heinz Berggruen vluchtte in 1936 uit Berlijn. Nu keert hij er terug, samen met zijn grote kunstverzameling, die is ondergebracht in een eigen museum. Berggruen was jarenlang kunsthandelelaar in Parijs, en verzamelde vooral Picasso's. In zijn memoires schrijft hij over zijn klanten - aristocraten, industriëlen, filmsterren - en zijn kunstenaars. “Alleen al puur fysiek was Picasso verblindend: zijn prachtige, goed gesneden gezicht, zijn heerlijke, grote, magnetische ogen.”

Picasso en zijn tijd. Westelijke Stülerbau tegenover Slot Charlottenburg Berlijn. Di t/m zo 9-17u. Catalogus 32 DM. Heinz Berggruen: Hauptweg und Nebenwegen. Erinneringen eines Kunstsammlers. Uitg. Nicolai. Prijs 39,80 DM.

De voormalige kunsthandelaar Heinz Berggruen betoonde zich innig tevreden over de behuizing van zijn vermaarde kunstverzameling klassieke modernen in Berlijn. Na zestien jaar is er een einde gekomen aan zijn onvermoeibare speurtocht naar een museale ambiance van gewicht waarin zijn kunstschatten permanent worden gepresenteerd. De lasten die op de schouders van de eigenaar van een kunstcollectie ter waarde van enkele honderden miljoenen DM drukken, zijn geen sinecure.

In Berlijn, dat zich opmaakt om als 'cultuur-metropool' de nieuwe eeuw in te gaan, is een paleisje voor de verzameling-Berggruen te voorschijn getoverd. Het bevindt zich in het tegenover het museum Charlottenburg gelegen, negentiende-eeuwse 'Stüler'-gebouw, dat in een ijltempo voor tien miljoen gulden werd gerestaureerd en gerenoveerd. De 'classicistische strengheid, klare proporties en menselijke maat' van het gebouw, weerspiegelt het karakter van zijn kunstverzameling optimaal, meent Berggruen, die niet geplaagd wordt door een overdreven mate aan bescheidenheid.

In de wandeling is het nieuwe museum, waarop de naam van de verzamelaar in bronskleurige letters is aangebracht, al omgedoopt tot 'Picasso-museum'. Picasso, vertegenwoordigd met zeventig kunstwerken en Paul Klee, van wie 26 werken worden getoond, vormen de pijlers van de verzameling die in totaal 113 werken bevat. Berggruen bezit voorts werken van onder anderen Van Gogh, Cézanne, Braque en Giacometti.

Tot dusverre waren er in Berlijn - in de Nationalgalerie - slechts twee werken van Picasso te zien. Tijdens de feestelijke opening van het nieuwe museum in september verkeerden de diverse betrokkenen dan ook in een staat van euforie. “Herr Berggruen, Deutschland dankt Ihnen. Dèutschland”, sprak president Roman Herzog de verzamelaar toe. Over het feit dat de eigenaar zijn verzameling vooralsnog slechts in bruikleen heeft gegeven voor een periode van tien jaar werd niet gerept.

De nu 82-jarige Heinz Berggruen, die als jood in 1936 zijn geboortestad Berlijn ontvluchtte, liet er van zijn kant geen twijfel over bestaan dat zijn aanwezigheid en die van zijn collectie in de Duitse hoofdstad tevens een verzoening met het verleden inhield. Als gold het een liefdesverklaring aan de stad en haar bewoners, verklaarde hij: 'Ik ben echt een Berlijner'. De charmante oude heer, die zijn Amerikaanse paspoort in 1953 in Parijs bij de ambassade inleverde omdat hij liever weer een Duits paspoort wilde hebben, had hiermee ieders hart gestolen.

Initialen

Het levensverhaal van Heinz Berggruen is minstens zo intrigerend als de ontstaansgeschiedenis van zijn kunstverzameling. Beide beschrijft hij in zijn zojuist gepubliceerde memoires Hauptweg und Nebenwege. Erinnerungen eines Kunstsammlers - de titel is ontleend aan een kunstwerk van Paul Klee. Als schrijver van literair getinte columns in de Frankfurter Zeitung, wist hij zich, zelfs na 1933, nog een tijd geestelijk af te schermen voor de steeds duidelijker wordende tekenen van het naderend onheil. Wel besefte hij dat het klimaat niet gunstig was voor zijn verdere ontplooiing. Het was toen al zover dat hij als joodse publicist zijn naam niet onder zijn stukken kon plaatsen en zich van zijn initialen moest bedienen.

De eerzuchtige jongeman vroeg via een bevriende relatie een stipendium aan voor de universiteit van Californië in Berkeley. Aan zijn ambitieuze natuur dankt de enige zoon van een winkelier in luxe schrijfartikelen niet alleen zijn succes als kunsthandelaar en -verzamelaar maar ook zijn leven. Toen hij zijn ouders in 1936 op de hoogte stelde van zijn voorgenomen vertrek, luidde hun commentaar: 'Wij blijven. En als wij blijven, kan jij ook blijven. Wij vinden dat alles hier ordentelijk toe gaat.' Vanuit Amerika wist hij hen nog net op tijd te bewegen om alsnog hun biezen te pakken.

In zijn Berlijnse jaren had Berggruen geen enkele belangstelling voor eigentijdse kunst. In het museum van San Francisco ontdekte hij voor het eerst het werk van Paul Klee. Zijn allereerste kunstaankoop, in 1940, was de aquarel Perpectiv-Spuk uit 1921. Berggruen was er diep van onder de indruk, al wist hij zelf niet precies waarom. Hij droeg de aquarel jarenlang als een talisman met zich mee.

Toen hij de Klee kocht, was Berggruen ziek van heimwee naar Europa in het algemeen en naar Berlijn in het bijzonder. De Japanse aanval op Pearl Harbour waardoor Amerika bij de Tweede Wereldoorlog betrokken raakte, bezorgde hem een geluksgevoel. Berggruen was toen al Amerikaans staatsburger geworden en verheugde zich op een oproep om in militaire dienst te treden. Hij voorzag dat hij ooit met de Amerikaanse bevrijdingstroepen naar Europa zou terugkeren. Toenb dat gebeurde, nam hij de aquarel van Klee mee.

De atmosfeer van Klees 'perspectief-spook' riep herinneringen bij hem wakker aan zowel Kafka's boek Het Proces als aan zijn gelukkige jeugd in Berlijn. Uit het werk van Klee sprak voor hem het levensgevoel van iemand die zich innig met de hem onringende wereld verbonden voelt en tegelijkertijd naar onthechting streeft. Misschien heeft Berggruen in deze tegenstrijdige verlangens iets van zichzelf ontdekt. Hij was alleen heel wat pragmatischer ingesteld dan Klee. Als kunstliefhebber en -handelaar ontwikkelde hij een tweesporen-systeem waardoor begrippen als esthethiek en ethiek ad hoc ontkoppeld konden worden.

Berggruens energie leed in de Verenigde Staten niet in het minst onder zijn heimwee. Hij trouwde met een Amerikaanse van goede huize, werd vader van twee kinderen, kunstcriticus bij de San Francico Chronicle, conservator bij het in dezelfde stad gevestigde museum voor moderne kunst en sergeant bij de staf van het Amerikaanse leger.

Zijn eerste optreden als kunsthandelaar vond na de bevrijding plaats. De Amerikaanse sergeant was toen in München gestationeerd waar hij ondermeer de redactie voerde over het nieuwe culturele tijdschrift Heute. Duitsers mochten toen het land nog niet uit. De ooit aanbeden, in München wonende toneelspeler en kunstverzamelaar Gustaf Gründgens zat in die dagen financieel volledig aan de grond. Hij vroeg Berggruen onder meer een pastel van Renoir voor hem aan de man te brengen. Berggruen verkocht die aan een Zwitserse kunsthandelaar. Over de bij dergelijke transactie gebruikelijke commissie voor de bemiddeling, laat hij zich in zijn memoires niet uit. Evenmin heeft hij het over de rol van de toneelspeler die tijdens de oorlog als culturele marionet van de nazi's fungeerde. Gründgens stond model voor de hoofdfiguur uit Mefisto, de roman van Klaus Mann.

In Parijs, waar Berggruen voor de Unesco kwam te werken, ontdekte hij in het kunstboekhandeltje van de Russische gezusters Gawrilowitsch een grafiekmap met tien litho's uit de beroemde serie Elles van Toulouse-Lautrec. Hij kocht de map voor duizend dollar. Een half jaar later vertelden de zusters hem dat de Amerikaanse grafiekverzamelaar Ludwig Charell, die voor de oorlog met zijn broers een variététheater in Berlijn had gedreven, er belangstelling voor had. Berggruen verkocht hem prompt voor tweeduizend dollar en nam zich onmiddellijk voor om een kunsthandel te beginnen.

Simone Signoret

Het onstaan van de legendarisch geworden galerie Berggruen in de Parijse rue de l'Université nr. 70 hangt nauw samen met het verlangen van Simone Signoret naar een eigen keukentje.

Als kersverse kunsthandelaar had Berggruen zijn intrek genomen in de achterkamer van een aan de Place Dauphine gelegen boekhandel. Zijn bovenburen waren Simone Signoret en Yves Montand, die daar een piepklein appartement bewoonden. Signoret & Montand plachten vrienden als de legendarische jazz-impresario en kunstverzamelaar Norman Granz welwillend naar hun charmante onderbuurman door te sturen. Signoret had al verschillende keren laten doorschemeren dat ze dringend behoefte had aan een keuken en dat de door Berggruen bezet gehouden achterkamer daarvoor een ideale plek zou zijn.

Het duurde twee jaar voordat Berggruen, in 1950, een ruimte vond die hem zinde. Er hing onder meer een door Giacometti als een sculptuur opgevatte kroonluchter. De overnamekosten waarbij de prijs van dit zeldzame object inbegrepen was, waren hoog. Berggruen vervoegde zich bij Simone Signoret die het genot van een eigen keuken alles waard bleek te zijn.

Berggruens radar voor de juiste plekken en de juiste mensen is altijd wonderbaarlijk goed ontwikkeld geweest. Al meteen in 1945 maakte de sergeant in Parijs zijn opwachting bij de schrijfster en kunstverzamelaarster Gertrud Stein en haar levensgezellin Alice B. Toklas. Na haar dood, een jaar later, kreeg Toklas het financieel steeds moeilijker. Tenslotte kwam ze met dertig hoogwaardige tekeningen van Picasso bij Berggruen aan. Of hij die wilde kopen? Maar over zo veel geld beschikte de kunsthandelaar nog niet in het begin van de jaren vijftig. Berggruen wist de officiële handelaar van Picasso, de machtige Daniel-Henry Kahnweiler, te bewegen tot een gezamenlijke aankoop. Kahnweiler stemde er mee in en gunde zijn protegé de eer om een tentoonstelling van de Picasso-tekeningen te organiseren waardoor de galerie Berggruen in Parijs prestige verwierf.

Tijdens een bezoek aan Café de Flore sprak Berggruen de dadaïstische dichter Tristan Tzara aan, die vlak bij zijn galerie woonde. Het bleek opnieuw een meesterzet. Tzara had nog een bundel liggen waarvoor Picasso litho's had gemaakt. Picasso kon aardig zijn voor oude vrienden met weinig geld als Tzara of de dichter Paul Eluard. Picasso schonk ze regelmatig kunstwerken van eigen hand die ze dan weer konden verkopen. Berggruen had er geen enkel bezwaar tegen om de voor Tzara gemaakte litho's te exposeren. Daarvoor was echter de toestemming van de meester zelf nodig. Berggruen wilde graag in persoonlijk contact treden met Picasso. Ook daarvoor kon de dichter zorgen.

Berggruen laat zijn sentimenten de vrije loop bij zijn beschrijving van het fenomeen Picasso: 'Alleen al puur fysiek was Picasso verblindend: zijn prachtige, goed gesneden gezicht, zijn heerlijke, grote, magnetische ogen, zijn prachtige gedrongen lichaam, dat was als uit één stuk, alsof Picasso in zichzelf een kunstwerk had volbracht.'

Tijdens een latere ontmoeting met de veelal slechts in een korte broek gehulde schilder zou Berggruens tweede vrouw, Bettina Moissie, eveneens buiten zichzelf raken door Picasso's verschijning. Terwijl ze naar de benen van de tachtigjarige staarde, zei Picasso: 'Knijp er maar eens in'. Picasso's benen bleken hard als staal en dat terwijl zijn handen de zachtheid van die van een vrouw bezaten.

Met de kunst van Picasso had Moissie aanvankelijk meer moeite. Over een schilderij van Picasso dat de kunsthandelaar in de huiskamer had opgehangen, zei ze: 'Hier kan ik niet mee leven'. Hierna werd het doek door hem verkocht.

Picasso's foto met handtekening en de tekst 'Pour Berggrune' - de schilder wist kennelijk niet hoe diens naam gespeld werd - hing de handelaar op in zijn galerie. Het contact met Picasso legde hem geen windeieren. Berggruen verwierf het recht om dertig procent van diens totale grafiekproduktie te verhandelen en afgietsels te maken van onder meer de vroeg-kubistische sculptuur Kop van Fernande, uit 1909, waarvan zich een exemplaar in de verzameling-Berggruen bevindt.

Baronesse de Rothschild

Berggruens belangrijkste bron van inkomsten kwam uit de handel in werken op papier van onder anderen Picasso, Chagall, Matisse, Miró en Arp. Een avontuurlijke galeriehouder was Berggruen niet, hij viel bijna altijd terug op gevestigde namen. Ondanks zijn netwerk van relaties met handelaren, verzamelaars, kunstminnaars, dichters, aristocraten, industriëlen, kunstenaars en weduwen van kunstenaars, doet Berggruen het in zijn boek voorkomen alsof zijn klanten als bij toverslag in zijn galerie opdoken. Volgens hem bespeurden de mensen in galerie Berggruen 'gevoel voor kwaliteit' en voor 'het goede en het schone'. Zo verzamelden zich in zijn kaartenbestand als vanzelf de namen van Baronesse Cécile de Rothschild, Greta Garbo, chocolade-koning Peter Ludwig en Adolf von Ribbentrop, de zoon van de na de oorlog in Neurenberg opgehangen Joachim van Ribbentrop, om maar een paar bezoekers van galerie Berggruen te noemen.

In de (kunst-)handel is de werkelijkheid banaler. De eerder genoemde dichter Paul Eluard bood Berggruen een naar eigen zeggen prachtige, grote pentekening van Piccasso, uit 1942, aan waarvoor hij zo'n 1500 dollar vroeg. Berggruen vond de prijs te hoog en hij besefte dat Eluard te 'sensibel' was om daarover te onderhandelen. De dichter deed hem een nieuw voorstel. Als Berggruen hem de 1500 dollar gaf, zou Eluard er gratis een werk van Klee, uit 1920, aan toevoegen. De dichter moet het geld hard nodig hebben gehad. Berggruen accepteerde het aanbod. Enkele dagen later verkocht hij de Klee-tekening aan een Zwitserse kunsthandelaar, voor 1500 dollar.

In 1980 hield Berggruen op met de kunsthandel om zich verder vanuit zijn chalet in Gstaad aan de opbouw van zijn verzameling te wijden. Hij was ijdel genoeg om met om met zijn collectie in de openbaarheid te willen treden. Hij schonk het Metropolitan Museum of Art in New York negentig werken van Klee. Het museum wijdde er een grote tentoonstelling en een indrukwekkende catalogus aan. Maar daarna verdwenen de werken naar een zaal op een tussenverdieping die door personeelsgebrek vaak gesloten bleef. Daarna beperkte Berggruen zich tot het in bruikleen geven van zijn kunstwerken, bijvoorbeeld aan de Londense National Gallery, die vijf schilderijen van Cézanne in de vaste opstelling laat zien.

Ruilhandel

Het leeuwendeel van Berggruens verzameling wordt in Berlijn gepresenteerd onder de titel 'Picasso en zijn tijd'. Dat suggereert een kunsthistorische samenhang die in de verzameling zelf afwezig is. Berggruen had als privé-verzamelaar de vrijheid om uitsluitend gehoor te geven aan zijn passies en grillen. Eind jaren tachtig verwierf hij een Van Gogh omdat deze schilder evenals Cézanne tot de voorlopers van de moderne kunst behoort. De herfsttuin (1888), dat van Gogh in Arles schilderde, toont een fraaie voorstelling van diepgroene cypressen, gebladerte in okertinten en blauwpaarse stammen die zich aftekenen tegen een lavendelblauwe lucht. Iedere penseelstreek geeft tevens de organische structuur van het gebladerte weer. Berggruen veroverde het schilderij door middel van een ruilhandel: acht werken van Matisse voor een Van Gogh. Toch had Matisse beter in zijn collectie klassieke modernen gepast dan Van Gogh. Bij zijn aankoop van de Cézanne's lijkt te hebben meegespeeld dat Picasso hem vertelde hoe belangrijk deze kunstenaar voor zijn eigen ontwikkeling is geweest. In Berlijn worden er van Cézanne een paar schitterende aquarellen getoond en een fascinerend schilderij van een melancholiek ogend meisje met een gezichtsloze pop.

Dat Picasso Berggruen het meest interesseerde, is te merken aan de zorgvuldigheid waarmee hij diens ontwikkeling in kaart brengt. Er zijn werken uit de roze en de blauwe periode. Een voorstudie in olieverf voor de vermaarde Les Demoisselles d'Avignon, uit 1907. Laat-kubistische voorstellingen. Een betoverend mooie pastel uit de classicistische periode, in ingekeerde grijzen, blauwen en zalmtinten, van een haast archaïsch aandoend vrouwelijk naakt. Een fraai portret, uit 1939, van Picasso's toenmalige geliefde Dora Maar, met haar door de schilder vervormde gezicht, haar gekke hoedje, haar gele vest en op klauwen lijkende handen.

Naarmaarmate de tijd verstrijkt, worden de voorstellingen steeds stralender. De Matador en het vrouwelijke Naakt, uit 1971, uitgevoerd in vitale, brutale en zinderende penseelstreken, is een uit olieverf samengesteld levens-elixer. In zijn totaliteit weerpiegelt de verzameling vooral Berggruens gevoel voor de kwaliteit van afzonderlijke kunstwerken. Hij bleef als verzamelaar de taxerende kunsthandelaar die geen fouten mag maken. Dit verklaart misschien waarom zijn bezienswaardige verzameling achteraf toch een onpersoonlijk en voorspelbaar tintje heeft gekregen.

Op de bovenste verdieping van het Stüler-gebouw is een pied-à-terre voor Heinz Berggruen en zijn vrouw ingericht. Hij voelt zich er thuis. 'Door de taal, de literatuur, de geschiedenis en het Duitse landschap heb ik bindingen met mijn vaderland die geen Duizendjarig Rijk ooit kan verstoren. (-) Op mijn 22ste ben ik uit Berlijn weggegaan, een onzekere toekomst tegemoet. Als 82-jarige ben ik hier weer. En het zo is het goed,' schrijft hij.