Kwakzalvers tussen geloof en genezing

Hilary Marland en Margaret Pelling (red.): The task of healing. Medicine, religion and gender in England and the Netherlands. 1450 - 1800

Erasmus Publishing, 317 blz. ƒ 84,50

Elf opstellen vormen de weerslag van een congres in 1992 over geneeskunde in Nederland en Engeland aan het begin van de moderne tijd. Vijf Nederlanders doen verslag van de concurrentie tussen chirurgijnen en artsen in Groningen, van duivelsbezwerende predikanten en jezuïeten op het platteland, en van een echtelijke ruzie over de melaatsheid van mijnheer. De vijf Engelse historici blijven minder braaf in hun straatje, en hebben behalve over de verspreiding van een medische subcultuur in Cambridge en de geslachtelijke verwarring onder Engelse artsen, ook een en ander over Nederland te zeggen. Een onderzoek gaat over een groep schilderijen uit de Gouden Eeuw waarop een voetchirurgische ingreep wordt afgebeeld, een ander naar de dubbelzinnige reputatie van Nederlandse vroedvrouwen. Het is ook een Engelsman die een opstel wijdt aan de verschillende carrières van Engelse en Nederlandse medici uit de zeventiende eeuw. Voor het overige zijn de vergelijkingen waar de lezer, afgaande op de titel, naar uitziet nogal schaars.

Op het oog ontliepen medische wetenschap en praktijk in beide landen elkaar ook niet zoveel. Aan het einde van de middeleeuwen vormden de klassieken Hippocrates en Galenus nog steeds de kern van het medisch weten, maar daaromheen had zich een hete brij van mystieke kennis, gewaagde experimenten en van de eerste anatomische verkenningen gevormd. De samenstellers sparen geen moeite om duidelijk te maken dat in Nederland en Engeland nog lang na de Renaissance en de Reformatie geloven en genezen innig verstrengeld waren. Christus was 'de goede dokter', en vele predikanten gaven zich niet alleen moeite voor het zieleheil, maar ook voor het lichamelijk welzijn van hun schare. En in beide landen streefden de 'academische' artsen in de loop van de achttiende eeuw de 'praktische' chirurgijnen voorbij in aantal en aanzien.

De wetenswaardigheden over de strijd om de gunst van de Groningse geneesheren bij de autoriteiten worden overigens boeiend opgedist, en leveren een kleine bijdrage aan de geschiedenis van vroege professionalisering. Hetzelfde geldt voor het verhaal over de reglementering van het vroedvrouwschap. De Engelse historica toont aan dat de verfoeide grofheid van vroedvrouwen, die Dickens in de figuur van Mrs. Gamp uit Martin Chuzzlewit te kijk zou stellen, in sommige Nederlandse aanbevelingen van de ideale vroedvrouw juist een gunstig onthaal krijgt: vroedvrouwen moeten vrolijk en flink zijn, 'ze moeten de kunst verstaan de kraamvrouw aan het lachen te maken'. De simpele interesse van de Nederlandse en Engelse schrijvers in de stand van zaken over en weer geeft het boek een ongekunstelde toon. Uitzonderingen vormen de twee bijdragen van eén van de redactrices van de bundel, Margaret Pelling. Soms lijkt Pelling te beweren dat artsen in Engeland vanouds verwijfd en verdacht werden gevonden, dan weer dat zij hun steeds opvallender aanwezigheid in de huishoudingen met twijfel aan hun mannelijkheid moesten bekopen. Impliciet is de klacht dat eigenlijk vrouwen louche en vals werden gevonden. Het komt bij Pelling kennelijk niet op dat de geslachtelijke insinuaties wel eens onderdeel konden zijn van een veel grotere sekse-verwarring die de maatschappij in haar greep hield. Dat mag verbazend heten voor iemand die de 'Elisabethans' tot haar vakgebied rekent. Er is geen komedie van Shakespeare of geslachtsverwisseling speelt er wel een rol in. Haar lezing van de al of niet seksuele verwijzingen in de schilderijen van Jan Steen vertoont eenzelfde interessantdoenerij, waarbij de lezer voortdurende in het ongewisse wordt gelaten.

Zo schommelen de bijdragen tussen hoogdravende stokpaardjes en wel zeer huiselijke taferelen. Maar de liefhebber van de wilde dagen waarin de ordelijke gildenmaatschappij het veld ruimde voor bezeten onderzoekers en charmante charlatans zal er veel van zijn gading vinden.