Karin Overmars en Anja Meulenbelt; Volwassen geest in puberlijf

Karin Overmars: Vermoorde onschuld. Veen. 190 blz. ƒ 29,90 Anja Meulenbelt: Je broer en ik. Van Gennep. 128 blz. ƒ 29,90

Pubers kunnen irritante wezens zijn. 'Ik roer in mijn koffie en blijf net zo lang roeren tot mijn moeder vraagt of ik daarmee op wil houden. “Waarmee?” vraag ik. Ze kijkt me strak aan door haar brilleglazen. Dat ze met kartonnen mappen zeulde, vol foto's en tekeningen, en dat haar handen onder de verfspaten zaten. Het lijkt eeuwen geleden - een heel ander leven. “Waarmee?” vraag ik nog een keer.'

De treiterige ik-figuur is de vijftienjarige Eva, hoofdpersoon van Karin Overmars' debuutroman Vermoorde Onschuld. Ongetwijfeld gaat Eva, terwijl ze haar moeder zwijgend zit te beoordelen, tergend en onverstoorbaar door met roeren in haar koffie.

Meisjes als Eva kunnen natuurlijk niets doen aan hun onuitstaanbare gedrag: het komt doordat ze slachtoffers zijn van hun afschuwelijke ouders, achterlijke leraren en handtastelijke hulpverleners. Karin Overmars (1965) onderscheidt zich in haar thematiek niet van de inmiddels talrijke andere auteurs die in zogeheten coming of age-boeken de eenzaamheid van onbegrepen jongeren uit de doeken doen.

Ook met Eva is het treurig gesteld: vader en moeder gescheiden, moeder aan de drank, dope en wisselende minnaars, vader rijk maar wansmakelijk, zowel qua poenige inrichting van zijn 'luxe penthouse' als in de keuze van domme blondjes. Bovendien mist ze haar oudere, spannende zusje Nina, die door de pukkelige hulpverlener Rim in een Begeleid Wonenproject naar de verdommenis wordt geholpen. Meer heeft het verhaal van Overmars over haar Eva niet om het lijf, maar ze vertelt het op zo'n originele en overtuigende manier dat Vermoorde Onschuld gerust een parel onder de adolescentenromans genoemd mag worden. De vergelijking met de veel geprezen roman De Afspraak van de Franse debutante Justine Lévi doorstaat Overmars in elk geval glansrijk.

Vermoorde Onschuld heeft de snelheid en het ritme van een rap-nummer, de laconieke zinnen waarmee Eva haar situatie onder woorden brengt zijn cynisch en betekenisvol. Modern ook, in letterlijke zin: zoals Eva praat, zo praten vijftienjarigen tegenwoordig. Maar denken ze ook zo? Al lezende riep die vraag steeds meer twijfel bij me op. De hoofdpersoon heeft niet alleen een scherpe intelligentie en een ontwikkeld observatievermogen, ze blijkt ook heel goed in staat om zowel haar familieleden als zichzelf te relativeren. Te goed, voor een meisje van vijftien. Relativeringsvermogen is doorgaans niet de sterkste kant van mensen op die leeftijd: meestal schamen ze zich dood voor hun ouders en over zichzelf denken ze vaak in dramatische, bijkans pathetische termen.

Karin Overmars, dubbel zo oud als de hoofdpersoon van haar boek, draagt haar levenservaring en de daarbij horende ironie en zelfspot over op Eva. Er lijkt me sprake te zijn van een discrepantie tussen de Montessori-lyceumtaal waarin Eva denkt of praat en haar volwassen denkwijze. Een soortgelijk probleem - Overmars bevindt zich in goed gezelschap - doet zich voor in Connie Palmens roman De vriendschap waarin een kind kindertaal spreekt, maar wel filosofische wijsheden in haar bagage heeft. Zonder aan de kwaliteiten van beide romans af te willen doen, zie ik dat gebrek aan echte identificatie met de uitgebeelde personages als een zwak punt.

Desondanks is Vermoorde onschuld een sterk debuut. De roman begint en eindigt met het vertrek van Eva's aanbeden zusje Nina. Maar intussen is er wel iets erg dramatisch voorgevallen. De wereld is in het gezicht van de vijftienjarige geëxplodeerd, wat zoveel betekent als een zenuw-crisis gevolgd door een wanhoopsdaad. Het meisje is, zo lees je het hele boek tussen de opgewekte en scherpzinnig geformuleerde regels door, ten prooi aan emotionele verwaarlozing. Zelf ziet ze zich echter niet als slachtoffer. Als er behalve anti-helden ook anti-slachtoffers bestaan dan is Eva daar een proto-type van.

Vrouwelijke slachtoffers behoren bij uitstek tot het terrein van Anja Meulenbelt die, nadat ze in haar debuut de schaamte overwon, in de ene autobiografische roman na de andere haar problemen met mannen in het algemeen en minnaars in het bijzonder wereldkundig maakte. Met haar nieuwe roman lijkt Meulenbelt een andere weg in te slaan: die van de echte fictie. Voor het eerst heeft ze haar fatansie de vrije loop gelaten en een romanpersonage gecreëerd dat nu eens niet Anja Meulenbelt heet en geen feministische schrijfster is, maar een naamloze fotografe.

Ruim zeventig pagina's heb ik verrukt gelezen. Op een inspirerende manier speelt de schrijfster met de schitterende poëzie van Marina Tsvetajeva, waaraan ook de titel van haar roman, Je broer en ik, is ontleend. Eindelijk heeft Meulenbelt haar literaire vorm gevonden en laat zij zien waar ze toe in staat is. Op twee manieren probeert zij te voorkomen dat het verhaal in een vijver van narcisme verdrinkt, zoals met haar eerdere romans gebeurde. Zij schrijft deze keer in de tweede persoon - zich richtend tot een onbereikbare geliefde. En zij leidt de aandacht van zichzelf af doordat het verhaal grotendeels als reportage is geschreven. Als fotografe gaat de hoofdpersoon met een journalist van een weekblad naar Zuid-Afrika om daar de eerste vrije verkiezingen te verslaan. Meulenbelt doet dat voortreffelijk, met oog voor details, met politieke betrokkenheid, human interest en journalistieke vaardigheid. Intussen ontspint zich natuurlijk - Meulenbelt blijft Meulenbelt - een liefdesaffaire tussen de getrouwde journalist en de fotografe, die al jaren een lat-relatie onderhoudt met een ander.

In de vijftig bladzijden die resteren na de Zuid-Afrika-reis gaat het mis. Dan wordt alsnog het liefdesleed behandeld op een manier die doet denken aan psychotherapeutische doe-het-zelf-lectuur. Er blijkt sprake van verlatingsangst en een levensgroot vadercomplex, dat zo expliciet en gedetailleerd als maar kan uiteen wordt gezet. Terwille van de lezer die het zelfs dan nog niet snapt, bezoekt de fotografe ook nog een auralezeres en een psychotherapeute. En alsof de duvel er mee speelt, smokkelt Meulenbelt op de valreep toch nog eens alle autobiografische elementen uit haar vorige boeken deze roman binnen.

Veelzeggend is wat de fotografe op de een na laatste bladzij opmerkt: 'Wat is het toch prettig dat ik het met beelden kan doen, en zelden naar woorden hoef te zoeken.' Ook Meulenbelt is in staat mooie beelden neer te zetten in de vorm van geslaagde, treffende beschrijvingen, maar zodra het over haar eeuwige huis-tuin- en keukenbesognes gaat, heeft ze weinig woorden tot haar beschikking.