Kabinet wil einde monopolie VSN

DEN HAAG, 18 OKT. Het kabinet wil een einde maken aan de monopoliepositie van de VSN Groep in het streekvervoer. Gekeken wordt naar de juridische mogelijkheden om de macht van de streekvervoerdersholding te breken.

In een concept van de zogeheten Implementatienota, waarin minister Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) een plan van aanpak uiteenzet voor de invoering van concurrentie in het stads- en streekvervoer, staat dat sprake is van een machtspositie indien een onderneming een marktaandeel van vijftig procent of meer heeft. “Om te bepalen of sprake is van een machtspositie moet eerst de relevante markt worden afgebakend. Vervolgens moet bewezen worden dat sprake is van een machtspositie.”

Een mogelijkheid die ter sprake is gekomen is dat VSN bij de aanbesteding van openbaar vervoer niet meedingt totdat het marktaandeel van de holding aanzienlijk gedaald is. Hierbij zou een beroep kunnen worden gedaan op de nieuwe Mededingingswet, die waarschijnlijk op 1 juli 1997 in werking treedt. In dit door minister Wijers (Economische Zaken) ingediende wetsvoorstel wordt misbruik van machtsposities verboden. Op Verkeer en Waterstaat wordt gewezen op de mogelijke onrust die bij deze oplossing zou ontstaan in het streekvervoer.

De presentatie van de Implementatienota is voorzien over twee weken. De nota heeft intussen bijna een half jaar vertraging opgelopen. De hoofdstukken over de positie van de streekvervoerdersholding en haar werknemers zijn nog steeds niet klaar, de meeste andere al wel.

Openbaar vervoer per bus, tram en metro wordt op zeer afzienbare termijn een zaak van de vrije markt, blijkt hieruit. In 2005 besteden 35 à 45 regionale overheden (provincies, stadsgewesten, steden) dit vervoer aan. De gedachte achter de invoering van concurrentie is dat dit leidt tot beter openbaar vervoer, terwijl tegelijk de kosten omlaag gaan.

Dit voorjaar stapte VSN-topman C. Nyqvist op onder druk van de commissarissen van de onderneming. Voornaamste reden was zijn verzet tegen de invoering van de kleinschalige concurrentie (35 à 45 gebieden) zoals het kabinet die nu wil.

Een ander lid van de raad van bestuur, R. van der Zijl, kondigde onlangs aan zijn functie aan het eind van dit jaar te zullen neerleggen. Dit gebeurde nadat minister Jorritsma hem had laten weten dat zij een einde wil maken aan de dominante positie van VSN in het streekvervoer.

Jorritsma moet haar plannen eind deze maand bespreken met de raad van commissarissen van VSN. Commissarissen, raad van bestuur en ondernemingsraad zijn tegen een opsplitsing van VSN in een aantal losse bedrijven, die met elkaar zouden moeten concurreren.

Ook de Tweede Kamer, die eind vorig jaar in principe akkoord ging met de invoering van concurrentie in het stads- en streekvervoer, wil dat er op de een of andere manier “een evenwichtige markt” komt. Een motie hierover van het Kamerlid Remkes (VVD) werd bij dit debat aangenomen.

In de concept-Implementatienota staat nu: “De introductie van marktwerking in het openbaar vervoer vraagt om een geloofwaardige vorm van mededinging; dat wil zeggen meer vragers en meer aanbieders met voldoende concurrerende macht”. Voorkomen moet worden dat “ondernemingen met macht en ongewenst gedrag nieuwe toetreders, concurrenten en uittreders benadelen”.

Vraag is of de Mededingingswet zondermeer van toepassing kan worden verklaard op VSN. Immers, als ook de NS onder de werking van de wet komt te vallen, heeft de streekvervoerdersholding geen monopolie op de openbaar-vervoermarkt. Ook is onduidelijk of VSN onder deze wet als één bedrijf moet worden gezien of dat sprake is van een aantal bedrijven, de dochters. In de woorden van de concept-nota: “Om te bepalen of sprake is van een machtspositie moet eerst de relevante markt worden afgebakend. Vervolgens moet bewezen worden dat sprake is van een machtspositie. Hier is in ieder geval sprake van indien de betreffende onderneming een marktaandeel van vijftig procent of meer bezit”.

Zeker is dat Verkeer en Waterstaat zo snel mogelijk met de invoering van de concurrentie wil beginnen; over negen jaar moeten alle lokale en interlokale bus-, tram- en metrodiensten ten minste één keer zijn aanbesteed. Deze termijn is bedoeld om, aldus de concept-nota, alle overheden de mogelijkheid te geven “op een verantwoorde manier in te groeien in de richting van het gewenste eindbeeld”. De benodigde wetgeving moet over twee jaar in werking treden.

De komende jaren zullen contracten met vervoerders, zoals bijvoorbeeld veel steden die nu hebben, worden omgezet in concessies. Provincies, stadsgewesten en steden krijgen de bevoegdheid contracten voor een bepaald concessiegebied eenzijdig op te zeggen. De stadsvervoerbedrijven, met hun over het algemeen lage kostendekkendheid, krijgen iets langer respijt voordat zij worden blootgesteld aan de tucht van de markt.

De concessiegebieden kunnen kleiner zijn dan een provincie of stadsgewest; de aanbestedende overheden mogen zelf de omvang bepalen. De concessies zullen een looptijd hebben van vijf à zeven jaar. De bedrijven die inschrijven op een concessie worden niet slechts vervoerder; van hen wordt ook verwacht dat ze op papier zetten hoe in het concessiegebied het vervoer eruit zal zien. Eerder waren de openbaar-vervoerbedrijven bang dat deze zogeheten 'ontwikkelfunctie' in handen zou komen van lagere overheden wat, aldus de vervoerbedrijven, tot grote bureaucratie zou leiden.

Wanneer voor het openbaar vervoer over enkele jaren de chipkaart als betaalmiddel is ingevoerd, wordt het mogelijk dat verschillende regio's verschillende prijzen vragen voor bus, tram en metro zonder dat dit leidt tot diverse kaartsoorten.

De komende jaren zullen zowel aanbestedende overheden als nieuwe marktpartijen door de overheid worden bijgestaan. De 'expertise' van de regionale overheden zal worden bevorderd door het aanbieden van cursussen en opleidingen, het op afroep beschikbaar stellen van 'aanbestedingsteams' en het openen van een 'databank aanbesteding'.

Er wordt een 'aanbestedings- effectiviteitstoets' ontwikkeld, waarmee beoordeeld kan worden wat de effecten van de aanbesteding op de kwaliteit van het vervoer zijn geweest. De aanbestedende overheid die hoog scoort krijgt een bonus.