Historie van kerk in Alkmaar belicht in boek en expositie

Tentoonstelling: In de schijnwerpers: de Grote Kerk op schilderijen, tekeningen, prenten en foto's van 1600 tot nu. Stedelijk Museum Alkmaar. T/m 8/12. Boek: Glans en Glorie van de Grote Kerk: het interieur van de Alkmaarse Sint Laurens (Alkmaarse Historische Reeks, X). Uitg. Verloren, 274 blz. Prijs ƒ 49,50.

Bij de heropening vorige maand van de gerestaureerde Grote Kerk van Alkmaar werd de show gestolen door een indrukwekkende performance. In het Zweedse Linköping was een groot altaarstuk van de schilder Maarten van Heemskerck digitaal in de computer opgeslagen en via Internet doorgestraald naar Alkmaar, waar het werd uitgeprint. De replica die dat opleverde, staat sindsdien te pronk in het koor van de Grote Kerk, de plaats waarvoor het origineel omstreeks 1540 was gemaakt. Maar de Alkmaarse kerk heeft meer te bieden. Het gebouw zelf vormt het onderwerp van een kleine expositie en daarnaast verscheen een bundel essays over de inwendige decoratie van de kerk.

De prenten, tekeningen en schilderijen op de tentoonstelling tonen de Grote Kerk, nu eens als blikvanger in het stadsprofiel, dan weer in close-up als hoofdonderwerp van de voorstelling. Ook het interieur is vaak met tekenpen of penseel vastgelegd. Toch steken deze veelal 19de-eeuwse werken pover af tegen een topstuk in de vaste opstelling van het museum: het Interieur van de Grote Kerk van Pieter Jansz. Saenredam (1661-1665). Geen schilderij geeft een beter beeld van de ruimte en de voorname atmosfeer van de kerk. Voor de duur van de tentoonstelling heeft het gezelschap gekregen van een ander werk van Saenredam, uit Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam: het Gezicht op de arcade onder de Librije (1661). Vergeleken met het overweldigende Interieur, maakt dit werk door zijn sobere, verstilde voorstelling een bijna intieme indruk - tot de twee minuscule figuurtjes rechtsonder ons herinneren aan de monumentaliteit van de architectuur.

Saenredams twee schilderijen verraden niet veel van het gebruik van de ruimte, al was het maar omdat de schilder zo spaarzaam is met zijn menselijke figuren. Zonder twijfel is de toeloop vaak veel groter geweest. Elke dag was de kerk openbaar toegankelijk; en niet alleen voor eredienst en gebed. De centrale kerk van een Hollandse stad was ook de plaats waar stedelingen naartoe gingen om elkaar te ontmoeten, of om in de beschutting van het gebouw te verpozen. Zeker ook zullen bezoekers, als toeristen avant la lettre, de architectuur en de decoratie hebben bewonderd. In deze Alkmaarse kerk had het stadsbestuur zelfs borden laten ophangen die informatie geven over de geschiedenis van het gebouw en haar twee beroemde orgels. Juist de bemoeienis van de stedelijke overheid lijkt de continuïteit in functie en decoratie te hebben gewaarborgd. Daaraan heeft de overgang van de rooms-katholieke naar de gereformeerde eredienst, nog geen honderd jaar na de bouw van de kerk, weinig afgedaan. Uit verschillende bijdragen in de bundel blijkt dat de oorspronkelijke uitdossing goeddeels intact is gebleven. Slechts de altaren en hun versiering - instrumenten van de roomse misviering - werden weggehaald en, zoals Van Heemskercks altaarstuk, verkocht.

Een voorbeeld van een decoratie die de wisseling van de religieuze orde overleefde, is een serie schilderijen met voorstellingen van de Zeven werken van Barmhartigheid van de 16de-eeuwse 'Meester van Alkmaar'. Weliswaar zijn de werken door calvinistische beeldenstormers beschadigd, maar de kerk verlieten ze pas toen ze in 1918 aan het Rijksmuseum werden verkocht. Iets dergelijks geldt voor de 16de-eeuwse gewelfschilderingen in het koor, met een voorstelling van het Laatste Oordeel. Ofschoon een destijds door protestanten verfoeide voorstelling van God de Vader er deel van uitmaakt, bleef de schildering ongemoeid. Uit het onderhoud dat er later aan is gepleegd, blijkt zelfs een onmiskenbare waardering voor het schilderwerk.

De verfraaiing van de kerk is ook daarna gewoon doorgegaan. Vooral het stadsbestuur deed alle moeite om het gebouw mooi uit te dossen. Zo werd het grote orgel, dat in 1638 door drie broers uit de befaamde orgelbouwersfamilie Van Hagerbeer was gebouwd, voorzien van frontpanelen, ontworpen door Jacob van Campen en beschilderd door Caesar Boëtius van Everdingen. Veelzeggend genoeg voerde Van Everdingen zijn imposante schilderwerk niet uit in opdracht van het kerkbestuur, maar van de burgemeesters van de stad. Rooms-katholiek of protestant: de functie van representatief 'stadsgebouw' die de Grote Kerk ook had, heeft door de eeuwen heen de decoratie van haar interieur gegarandeerd.