Genomineerd; Waarom Willem Otterspeer de AKO-prijs moet krijgen

Hoe is het om op de nominatie voor de AKO-prijs te staan? Daar zal ik nu iets over vertellen.

De misère met literaire prijzen in het algemeen is de competentiekwestie, kort samengevat als volgt: wie is bevoegd om over mijn werk te oordelen?

De implicatie is dat een schrijver door het accepteren van een prijs het oordeel aanvaardt dat de toekenner over hem en zijn werken uitspreekt. Sommige schrijvers ervaren dat als zo ondragelijk dat zij principieel alle prijzen weigeren en hun uitgevers verbieden hun boeken voor een prijs in te sturen. Dat is bijvoorbeeld de principiële en te bewonderen houding van Jan Wolkers (hoewel hij kortgeleden een 'uitzondering' schijnt te hebben gemaakt). Met het toekennen en vooral niet toekennen van een eerbewijs is het bovendien of behalve talent ook karakter getaxeerd wordt, herinnerend aan de ergerlijke gewoonte in de Britse rechtspraak om veroordelingen te garneren met krachtige morele kwalificaties, op de manier van: 'this lewd and disgusting man' voor iemand die overspelig geweest is.

Sommige schrijvers zijn van mening dat de prijs iets is dat hun vanzelfsprekend toekomt, c.q. onrechtmatig wordt onthouden. Die zijn voor de televisie het interessantst (dat weet ik want ik ben al eens eerder genomineerd geweest). Weer anderen zien het als een soort loterij, waarbij het dus niet deert als je niet wint, en waar hoogstens een paar vervelende bijkomstigheden aan verbonden zijn, zoals je nu eenmaal ook moet bukken om iets op te rapen dat op straat ligt. De beste van twee werelden had ongetwijfeld Frida Vogels, door zowel heel natuurlijk de prijs te aanvaarden als te weigeren mee te doen aan de poppenkast die er aan is verbonden.

Een strenge vriendin met een zeer uitgesproken oordeel bezwoer mij bij hoog en laag hetzelfde te doen, maar ik mis haar overtuiging. Ik vind dat schrijvers niet al te weerloos en niet al te kieskeurig moeten zijn wanneer er propaganda voor hun boeken wordt gemaakt, en voor de literatuur in het algemeen. Het is waar dat de instelling van de Nederlandse televisie tegenover literatuur herinnert aan die van Wammes Waggel - dat is geloof ik niet alleen barbaarsheid maar ook een uitvloeisel van de heilige oorlog tegen elitaire kunstvormen in Nederland - en het is ook waar dat de Belgische televisie, zoals mijn vriendin mij telkens opnieuw doet opmerken, wat dit betreft heel wat geciviliseerder is; en toch zal ik haar zaterdagavond ongehoorzaam zijn.

Wat kan ik doen ter compensatie van deze morele zwakheid? Daarvoor heb ik een geheim plan bedacht; en bovendien zal ik mij nu zelf voor de jury substitueren en naar eer en geweten zeggen wie volgens mij de AKO-literatuurprijs moet hebben: Willem Otterspeer, de schrijver van de biografie van Bolland.

Waarom? Om hoe het is geschreven. Dat, de kunst van het schrijven, die bij ons nauwelijks telt en vooral in de academische wereld niet hoog genoteerd staat (ja zelfs iemands wetenschappelijke status kan schaden), dat is in mijn ogen het enige dat er werkelijk toe doet. Otterspeers Bolland is een boek van grote geleerdheid, maar dat is dus uitdrukkelijk niet hoofdzaak; de hoofdzaak is dat in dit boek van ruim 630 bladzijden geen lelijke zin is aan te wijzen.

Het is een soort herkenning. Neem een onvergetelijke formulering als de volgende: 'een betoog dat typisch Bollandse trekken heeft - een klompendans van citaten met het zijpad als hoofdweg' (mijn cursivering). Als ik zoiets lees weet ik: dit is het. En, dat is het boeiende, de schrijver weet het zelf ook, het is om zo te zeggen opzet; dat blijkt ook uit bijzaken, zoals de formuleringen die hij zelf citeert - ik denk bijvoorbeeld aan de passage van Mario Praz waarmee het laatste hoofdstuk opent. De appreciatie voor zo'n zin, dat is wat ik herken, daaraan zie ik dat het boek niet als zoveel andere bij toeval is geschreven, en niet om anderen te behagen, maar zichzelf. Het discrete plezier in een uitspraak als 'bijgelovigheid brengt ongeluk'. Subtiele genoegens, zoals in: 'Bij tijd en wijle scheen hij zelfs een actief beleid inzake het verstoppen van correspondentie gevoerd te hebben.' 'Een reeks van halve en hele heiligen wordt de godenberg afgedonderd om reden van schriftuurlijke aard of burgerlijke gedragsregels..'

Wat is het precies? Intelligentie, eruditie en gevoel voor humor. Een geheime aandacht, ergens tussen mededogen en ironie, voor het belachelijke, het tragische, het potsierlijke, het hulpeloze. Een zuiver gevoel voor stijl en vorm. Compositie. Kennis van de tale Kanaäns en het schitterende Nederlands dat dat oplevert.

'De biograaf hoeft zich er overigens niet het hoofd over te breken wat er gebeurd zou zijn als de Vrije Gemeente hem [Bolland] een betrekking had geboden. Het zou op een fiasco uitgelopen zijn. Bolland was niet de man van geloof, hoop en zeker niet van de liefde. Veeleer was hij die van het enthousiasme, de ijver en het gelijk. En de meeste van deze was het gelijk.'

Zo ontstaat een onvergetelijk portret van Bolland - en van het literaire leven rond 1900, dat aanzienlijk minder tam en preuts was dan wordt aangenomen. Nog een paar dingen die mij hebben getroffen. Het eerste is een detail over Nederlands-Indië, waar Bolland zestien jaar van zijn leven heeft gesleten. Bolland gaf niet om Indië, niet om het klimaat en de natuur, en niet om de oudheden; hij 'was nu eenmaal te gepreoccupeerd met filosoof worden om ooit met verwondering om zich heen gekeken te hebben.' Maar er gebeurde wel iets anders: Bolland had een zoon, en die zoon verindischte - wat dat (onder meer) inhield wordt duidelijk uit een merkwaardig citaat van een hele bladzijde, waarin het zg. 'bontjengen' op de Bataviase tram wordt beschreven. Wie er meer van wil weten moet het boek maar kopen. Die bladzijde was een deel van het dagboek van Bolland junior, en op een of andere manier kreeg papa het onder ogen: 'Bolland wist genoeg. De jongen moest nodig naar Nederland.'

Dan is er wat Otterspeer schrijft over de status van de autodidact (zoals men weet was Bolland een autodidact). Het is een sleutelpassage: de dilettant, de autodidact die jager en gejaagde is tegelijk, op een manier die opvallend aan de positie van de Indo in Nederlands-Indië doet denken en Tjalie Robinson in de herinnering roept. Wat Otterspeer er over schrijft is denk ik profetisch voor wat er op het ogenblik in Nederland gebeurt (zie blz 14-16).

En tenslotte de passage over Otterspeers vader, op de laatste bladzijde van de inleiding. Wat verrassend. En wat prachtig.

Wie schrijft nog zo? Er is bijna niemand meer die het kan. Otterspeer is het levende bewijs hoe een vernuftige en elegante geest, belezen en op zijn gemak, speels, scherp en zonodig moordend - hoe zoiets kan bestaan op zijn Hollands, een voorbeeld voor de universiteit en voor iedereen. Ik ben heel nieuwsgierig naar Otterspeers volgende boek: Utopieën van een onvermoeibaar mens, aangekondigd voor november bij Bert Bakker, 'over lezen en bewonderen en over nieuwsgierigheid - naar alles wat goed, mooi en uitzonderlijk is..'

De winnaar van de AKO-literatuurprijs wordt morgen bekend gemaakt in het televisieprogramma Sonja en de AKO-literatuurprijs. Nederland 3, 21.05u.