Elke dag zwaardvis

Wie Saratoga zegt, zegt paardenrennen.

Billy zei dat ze alles van paarden wist, omdat ze een tijd iets met een jockey heeft gehad. Billy zei: “ik dacht dat het de man van mijn leven was, want de eerste avond dat we vreeën kwam ik elf keer klaar. Hij kwam uit Kansas City, maar ik wilde niet in Kansas City wonen, daarom is het niets geworden.”

“Elf keer, dat is veel”, zei ik, en een paar uur later vroeg ik: “Denk je dat ik ook een jockey kan worden?” Ze schudde haar hoofd.

Het mooiste is dat je naar het paardenrennen gaat en wint, wat is het een-na-mooiste? Dat je naar de paardenrennen gaat en verliest.

In het stadje kochten we kleren, want we hadden niets bij ons. Het was een rijk stadje. Er was geen dakloze te bekennen. Ze hadden ook een geneeskrachtige bron. Waar je in kon gaan liggen en je na afloop kon laten masseren. Toen Billy dat hoorde, was ze niet te houden. Ze wilde per se in het geneeskrachtige water gaan liggen.

Ze kocht een zomerjurk. Het was een prachtige dag. In Manhattan was het nu niet uit te houden, maar in Saratoga was het aangenaam.

In de klerenwinkel zei Billy opeens: “Je loopt als een bouwvakker.” Iedereen keek naar mij. Toen deed Billy voor hoe bouwvakkers lopen. De hele winkel keek nu naar Billy. Alleen als ze heel strakke T-shirtjes droeg kon je zien dat ze borstjes had.

“Je hebt spijkerbroekenmaat 29”, zei de verkoopster tegen mij, “dat hebben we niet.” Waarschijnlijk om de aandacht een beetje af te leiden van Billy die bouwvakkers nadeed.

“Hebben jullie dat niet?”, vroeg Billy. “Zijn de mensen hier zo dik?”

“Billy”, zei ik, “alsjeblieft.”

We gingen naar een andere winkel. Daar hadden ze spijkerbroekenmaat 29. Ze zocht de duurste uit. “Billy”, zei ik, “waarom moet ik een spijkerbroek van vierhonderd dollar kopen?” In het motel had ze gezegd dat we ons maar moesten inschrijven onder mijn naam. Nu zei ze: “Ik ben je geheime platonische maîtresse. Ik zeg je, die broek staat je goed. Je kan nu tenminste je billen zien.”

“Maar niemand hoeft mijn billen te zien, liever niet zelfs.” Toen begon de verkoopster zich er ook nog mee te bemoeien. “Ja, je ziet tenminste je billen, dat scheelt een stuk.” “Luister”, zei ik, en ik gaf de verkoopster mijn visitekaartje, “ik heb een bedrijfje in zuidvruchten, het komt mijn omzet echt niet ten goede als mensen mijn billen kunnen zien, integendeel zelfs. Ik denk dat sommige van mijn klanten het heel vervelend zullen vinden mijn billen te zien.”

Maar Billy zei: “Nu ben je met mij op stap.”

Ik kocht de broek. Ik hield hem zelfs meteen aan op advies van Billy.

Het liep een beetje onwennig. Het voelde alsof ik ieder moment uit de stof zou scheuren.

In de hoofdstraat gingen we op een terras zitten. Ze attendeerde me op mooie vrouwen en ik attendeerde haar op mooie mannen. 'We are ugly, but we've got the music', zingt Leonard Cohen. De oude klootzak.

Ze ging naar de wc, en daar bleef ze een uur. De serveerster hield me in de gaten. Je kon haar zien denken: die rent weg zonder te betalen. Maar ik keek naar de lucht en de rijke witte mensen, zonder dat het een moment in me opkwam dat ik misschien ook een rijk wit mens was. Dat was ik helemaal vergeten, ik was ook vergeten dat ik in rozijnen deed en een vriendin had, en dat van al mijn verlangens en ambities alleen de grappen waren overgebleven, waarmee ik die verlangens te slim af probeerde te zijn. En dat mijn beste vrienden in rozijnen deden en dat we iedere donderdag samenkwamen om moppen te vertellen om niet over stukgelopen huwelijken te hoeven praten, of over het debat tussen de kandidaten. Welke kandidaten wisten we allang niet meer, de meeste van ons waren ergens bij Nixon afgehaakt.

En dat mijn bijnaam 'de spuger' was, dat wist ik ook niet meer. Dat komt omdat ik een tijd (een half jaar) komiek ben geweest en in het programma waarin ik optrad deed ik niets anders dan spugen. Het programma heette ook 'de kunst van het spugen'. Daarmee heb ik zelfs The New York Times gehaald, pagina 8 van de kunstbijlage. Onder het kopje: 'The spitter is in town'. Een redelijk positief stukje, al vroeg de schrijver zich wel af of het echt noodzakelijk was dat de eerste twee rijen onder het spuug kwamen te zitten.

En dat Billy me een paar weken later een geslachtsziekte zou gaan bezorgen kon ik ook niet weten, want mensen kunnen niet in de toekomst kijken. Als ik dat wel had gekund was ik toch blijven zitten waar ik zat, want ik was juist zo blij al die dingen eindelijk te zijn vergeten. Bijna alle dingen die je voor de eerste keer doet, zijn doodeng. De eerste keer dat je het Vossius betreedt, de eerste keer dat je steelt, de eerste keer dat je een meisje kust, de eerste keer dat je de boel oplicht. Al die dingen kan je daarna nog honderden keren doen en ten slotte zijn ze niet meer eng. Maar doodgaan moet je in één keer goed doen. Oefenen heeft geen zin. Daarom hoop ik maar dat ik niet dronken zal zijn als ik doodga, en dat ik een beetje lief zal zijn voor de dood, zodat de dood een beetje lief zal zijn voor mij. Aus einem Guss, zouden ze in Duitsland zeggen.

Toen kwam Billy terug van de wc.

“Laten we naar het paardenrennen gaan”, zei ze. Een weiland voor de racebaan stond vol met auto's. Overal liepen mannen in smoking, of in witte zomerpakken met strooien hoeden op. Vrouwen liepen in lange jurken. Vaak hadden ze ook hoeden op.

We huurden een verrekijker. Daarna nam ze me mee naar het restaurant. “Geef de ober veertig dollar”, zei ze, “anders krijgen we een tafeltje met klote-uitzicht.”

De achtste race startte Serena's Song. U kent Serena's Song niet, en op dat moment kende ik Serena's Song niet, maar Serena's Song is het paard der paarden.

“Zet duizend dollar in op Serena's Song”, zei Billy. “Geloof me maar. Je krijgt geen spijt.”

Ik keek haar even aan.

Toen ik terugkwam met het bewijs van de weddenschap vroeg Billy: “Zul je van nu af aan elke dag minstens een keer aan me denken?”

“Ik zal van nu af aan elke dag minstens twee keer aan je denken,” antwoordde ik.

(Wordt vervolgd)