Eindelijk aan de wand; De herwaardering van de BKR-kunst

De Nederlandse overheid wil zestigduizend kunstwerken, die ooit gemaakt zijn voor de beeldende-kunstenaarsregeling (BKR), vernietigen. Zelfs de kunstenaars die de werken tussen 1949 en 1987 maakten, willen ze niet terug hebben. Maar er is een kans op redding. De Amsterdamse kunstuitleen wil de overgebleven BKR-werken van zowel het rijk als Amsterdam in haar collectie opnemen. “Er bestaat een volkomen vertekend beeld van de BKR”, zegt directeur John Loose. “De collectie geeft een goede doorsnede van wat kunstenaars van de jaren vijftig tot midden jaren tachtig deden.”

Echt kapotte, in de kelders vergane kunstwerken hoeft hij niet. “Ik wil niet als een Stiefbeen tussen de gebroken spullen zitten.” Maar verder wil John Loose, directeur van de Amsterdamse kunstuitleen SBK, wel als kunstvariant van de oude-spullenbaas uit de tv-serie Stiefbeen & Zoon door het leven. Want hij heeft zowel de gemeente Amsterdam als het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorgesteld om in ongeveer honderdduizend kunstwerken, die nu doelloos in rijks- en gemeentelijke opslagruimten liggen, over te nemen. Loose wil ze in een pakhuis opslaan, en over vijf jaar, mondjesmaat, in een periode van tien tot vijftien jaar onder het publiek brengen via zijn kunstuitleen en de overige zeventig kunstuitlenen in het land. “Op die manier bederf je de kunstmarkt niet, en krijgt het werk toch een bestemming”, zegt hij.

Het gaat om kunstwerken waarmee het rijk en de hoofdstad in hun maag zitten. Niemand wil de werken hebben. Ze zijn door duizenden kunstenaars ingeleverd in ruil voor financiële steun, in de periode van 1949 tot en met 1987, toen de beeldende-kunstenaarsregeling, de BKR, van kracht was. In 1992 beheerde het rijk nog ruim 200.000 van zulke werken, schilderijen, grafiek en beelden, en de hoofdstad ongeveer evenveel. Een deel van deze werken heeft het rijk geschonken aan instellingen die de kunst in bruikleen hadden, zoals ziekenhuizen en universiteiten. Ook kunstuitlenen hebben BKR-werk uitgekozen. Amsterdam pakte het commerciëler aan: bruikleners mochten de BKR-werken voor tweehonderd gulden per stuk kopen. Het gevolg is, volgens de Amsterdamse BKR-collectiebeheerder Eddy van der Meer, dat hooguit 15 procent van de honderdduizend uitstaande werken gekocht is door instellingen.

Daarnaast proberen rijk en gemeenten, zoals Amsterdam en Den Haag, kunstenaars die van de BKR gebruik maakten, te interesseren in kosteloze terugname van hun ooit ingeleverde kunstwerken. Maar dat is een traag verlopende operatie. Niet alle kunstenaars willen hun werk van soms tientallen jaren oud terug hebben. Er zijn al wel tienduizenden werken opgehaald, maar, zegt Eddy van der Meer: “De lijst met kunstenaars die zich gemeld hebben met de mededeling dat ze hun kunst terug zouden komen halen, is lang. Maar ze komen niet opdagen. Blijkbaar is de psychologische drempel te hoog, en willen ze liever niet met hun verleden geconfronteerd worden.”

Van der Meer vertelt dat sommige kunstenaars in het Amsterdamse BKR-depot in het havengebied weigeren te geloven dat ze bepaalde werken gemaakt hebben. “Terwijl hun naam of handtekening er onder staat.” Anderen gaan blij met hun kunstwerk naar huis, “alsof ze een oude liefde terugzien”.

De Amsterdamse kunstenaar Ernst Vijlbrief (62) maakte van 1964 tot 1975 gebruik van de BKR, die hij nog altijd bij haar oude naam 'de contraprestatie' noemt. Hij haalt af en toe een werk op uit de BKR-depot, als dat terugkomt van een instelling. Vijlbrief vertelt in zijn atelier, waar hij zijn doeken schildert die zijn geïnspireerd op Chinese calligrafie, vol cirkels en zwierige tekens: “Soms is het schrikken als je oud werk terugziet. Die werken werden vaak voor niks uitgeleend, en ja, dan wordt er slordig mee omgegaan. Ik kreeg een schilderij terug dat in het politiebureau Warmoesstraat had gehangen. Het zat vol gaatjes. Er stonden cirkels op, ze hadden het als schijf gebruikt om pijltjes op te gooien.”

Nee, dan is Vijlbrief tevredener over het Academisch Medisch Centrum. Dat Amsterdamse ziekenhuis heeft een grote collectie, voor een deel afkomstig uit de BKR. “Ik kwam daar laatst en zag een werk van mezelf hangen. Dat is leuk. Daar is het voor gemaakt, om te worden bekeken.”

Vijlbrief was eind jaren zestig, begin jaren zeventig actief in de steeds radicaler wordende Belangenvereniging Beeldende Kunstenaars (BBK), die krachtig pleitte voor een ruimer toelatingsbeleid bij de BKR. Om die reden werd in 1969 de Nachtwachtzaal van het Rijksmuseum Amsterdam bezet. Vijlbrief was tegen de opheffing van de BKR, en vindt ook dat de overheid alles moet doen om de kunst onder de mensen te brengen. Als er werk overblijft dat echt niemand wil 'ja, daar moet dan maar een vreugdevuur van worden gemaakt op de Dam. Hoewel, nee toch ook maar niet. Bewaren'', vindt hij.

Laatste oproep

De gemeente Amsterdam heeft andere plannen. Vandaag plaatst de Amsterdamse stichting die de BKR-collectie beheert, Beeldende Kunst Beheer (BKB) in enkele kranten een oproep aan Amsterdamse kunstenaars die van de BKR gebruik maakten. Het is 'de laatste oproep', aldus de advertentie. Tot 31 december kunnen kunstenaars of hun erfgenamen hun BKR-kunst op komen halen. Daarna is het Amsterdamse BKR-depot, 'definitief gesloten'. Als kunstenaars niet en masse hun werk komen afhalen, blijven er nog tien- tot twintigduizend werken, vooral op papier, over, denkt Eddy van der Meer. Wat daarmee gaat gebeuren, staat officieel nog niet vast.

Maar - en dat staat niet in de advertentie - kunstuitleen-directeur Loose is in een verdergevorderd stadium van onderhandeling met de gemeente Amsterdam om al deze kunst-die-niemand-wil over te nemen. En omdat het rijk, waar de speciaal voor dit doel opgerichte stichting Kunstwegen bezig is met de 'afstoot-operatie' van de BKR-kunst, met dezelfde problematiek kampt, en al aangekondigd heeft het restant te vernietigen, heeft Loose aan het ministerie van OCW hetzelfde aanbod gedaan. Hij wil ook de naar verwachting zestigduizenden kunstwerken die daar overblijven overnemen.

Frans de Haan, die namens de Kunstenbond FNV in het bestuur zit van de stichting Kunstwegen, lijkt het een goed idee: “We zijn nog volop bezig met een teruggave- en selectie-procedure van de rijks-BKR-kunst. Op 1 januari 1997 moet het afgerond zijn. We blijven met kunstwerken zitten. Vernietiging is dan een mogelijkheid, maar niemand wil graag kunstvernietiger zijn.”

Loose zou het zonde vinden als de restanten van de BKR-collectie vernietigd zouden worden. “Dat is een van de redenen waarom wij dit voorstel hebben gedaan. De BKR-collectie is van historisch belang. Die geeft een goede doorsnede van wat kunstenaars van de jaren vijftig tot midden jaren tachtig deden. Er zit veel vakmanschap en kennis in. Ik verzamel al jaren kunst, en veel kunstenaars die in galeries verkochten zaten ook in de BKR, zoals Hans Landsaat, Yvonne Kracht en Maria Beatrice. Kijk, als je alleen maar het nieuwste van het nieuwste in de kunst wilt, dan moet je niet bij de BKR zijn.

“Er bestaat een volkomen vertekend beeld van de BKR: men denkt dat daarin alleen maar mensen werkten die de kantjes er af liepen. De doorsnee-BKR kunstenaar leverde redelijk tot goed werk. Eind jaren zeventig is de kwalitatieve norm misschien soms wat te laag gelegd door die commissies die oordeelden over het werk dat geaccepteerd werd, maar daarom moet je niet al het werk verketteren.”

Deze mening wordt gedeeld door Jan-Hein Sassen, conservator van het Stedelijk Museum Amsterdam. Voordat werk uit de Amsterdamse BKR-collectie teruggegeven of verkocht wordt aan een instantie, kijkt hij of er misschien toch nog iets bij zit voor de museumcollectie. Sassen heeft er al tientallen BKR-werken voor het museum uit gepikt. “Het BKR-werk geeft een goede doorsnede van wat er in de loop van de tijd gemaakt is door Amsterdamse kunstenaars. Er zit wel slecht werk bij, maar het grootste deel is redelijk. Soms zie ik interessant werk, bijvoorbeeld van Jan Sierhuis, maar dat neem ik dan niet, omdat we al voldoende van hem in de museumcollectie hebben.” Het museum heeft eerder al drieduizend werken uit de BKR-collectie opgenomen. Sassen heeft nu nog BKR-werk uitgekozen van onder anderen Jan Commandeur, Alphons Freijmuth, Louwrien Weijers en Peer Veneman.

Loose meent dat er in de BKR-collectie relatief veel 'moeilijker' werk zit, werk dat niet direct toegankelijk is. “Veel grafiek ook, zwart-wit, dat mensen niet direct geneigd zijn aan de muur te hangen. Maar er is publiek voor, het kan alleen lang duren voordat de liefhebbers en het werk elkaar vinden. Bovendien kan het oordeel over kunst in de loop van de tijd veranderen. Die tijd moet je nemen. Overigens zijn veel kunstuitleen-collecties nu al voor een belangrijk deel samengesteld uit BKR-werk. Dat wordt dagelijks uitgeleend.”

Mottenballenbesluit

Loose denkt niet dat hij met de BKR-winkeldochters blijft zitten. “We hebben nu in Amsterdam een collectie van 20.000 werken, en er zit weer groei in ons aantal leden. Als je het landelijk bekijkt, zijn die honderduizend die we er bij zouden willen nog niet genoeg, als je er van uit gaat dat Nederland ruwweg zes miljoen woningen heeft. En dan heb ik het nog niet eens over het buitenland.” Hij vertelt dat er kunsthistorici uit Athene stage lopen bij de SBK, om te kijken of er mogelijkheden zijn om met een Nederlandse begincollectie een Atheense kunstuitleen - een onbekend fenomeen in Griekenland - op te zetten. Er zijn soortgelijke contacten met de VS, Israel en Australië.

Zo lijkt het er op dat het oude ideaal van kunstspreiding met de BKR-collectie waar Amsterdam en het rijk nu van af willen, toch nog bewaarheid wordt. Het SBK-bestuur heeft over de BKR-werken een 'mottenballenbesluit' genomen, zoals Loose het noemt: “Wij willen het werk vijf jaar lang opslaan in een pakhuis. Dat is nodig omdat we net twee artotheken, in Noord en Osdorp hebben overgenomen, en die hebben ook nog BKR-collecties. De artotheken waren opgezet op BKR-kunst onder de mensen te brengen. Die werken moeten we ook nog in onze collecties verweven, en we willen meer leden werven. Daar nemen we die vijf jaar voor. Ondertussen doen we nog niets met het overige BKR-werk, uit de stads- en rijkscollectie. We bewaren het. Na die vijf jaar gaan we over een periode van laten we zeggen vijftien jaar rustig ieder jaar een kubieke meter uitpakken. We zoeken uit wat we kunnen gebruiken en knappen het op. Alleen kapot werk vernietigen we, verder houden we alles.

De 'kubieke-meteraanpak' heeft twee grote voordelen. Het is een goedkope methode. We vragen voor de overname van de BKR-collecties geen subsidie, alleen een renteloze lening van honder gulden per werk, om de opslag en restauratie te kunnen financieren. Zo willen we de collectie stukje bij beetje in het circuit van kunstuitlenen inbrengen. Daardoor breng je de kunstmarkt geen slag toe. Want als je nu in een keer al die BKR-kunst op de markt zou dumpen, dupeer je de kunstenaars en de galeries.'' Daarmee komt hij tegemoet aan de mogelijke bezwaren van de kunstenbonden, die in 1993 minister van cultuur d'Ancona dreigden met een kort geding toen het er naar uitzag dat haar 'afstoot-operatie' van rijks-BKR-kunst een grote weggeef-operatie aan instellingen zou worden. De bonden vreesden een ernstige verstoring van de kunstmarkt, en d'Ancona wijzigde haar plannen: ze droeg de 'afstoot-operatie' over aan de bonden en de kunstuitlenen, verenigd in de nieuwe stichting Kunstwegen.

Ommekeer

Loose's aanbod is een ommekeer in de benadering van de BKR-erfenis. Sinds begin jaren tachtig is het imago van de BKR, de deelnemende kunstenaars en de kunst die zij maakten, snel verslechterd. Het is het lijk in de kast van het Nederlandse kunstbeleid geworden.

Onder minister Brinkman van Cultuur en zijn collega van Sociale Zaken ging de Tweede Kamer in 1983 akkoord met het geleidelijk afschaffen van de BKR, waaraan in dat jaar meer dan drieduizend kunstenaars deelnamen. Dat kostte Sociale Zaken 130 miljoen gulden. Men vreesde een niet te stuiten groei van het aantal BKR-kunstenaars - en van de begrotingspost. Dat lag gezien de ontwikkeling voor de hand. In de eerste jaren van de regeling, die in 1949 ontstond, waren er landelijk niet meer dan honderd tot tweehonderd deelnemers, en dat kostte Sociale Zaken jaarlijks ongeveer 0,3 miljoen gulden. Het aantal deelnemers groeide langzaam, tot het in de jaren zeventig - na kunstenaarsacties - in korte tijd steeg van duizend tot bijna drieduizend, en de jaarlijkse kosten van 10 naar 64 miljoen opliepen.

De Kamer had in 1983 meer bezwaren tegen de BKR. Men vond dat de vrije kunstmarkt door deze steunregeling, waar een kunstenaar voor langere tijd gebruik van kon maken, niet gestimuleerd werd. En men twijfelde aan het kritisch gehalte van de adviescommissies, waarin onder andere kunstenaars zaten, die beoordeelden of een kunstenaar in aanmerking kwam voor de BKR.

Daarbij kwam dat de regeling in de eerste plaats geen culturele, maar een sociale maatregel was, betaald door het ministerie van Sociale Zaken. Het was, om in de termen van Brinkman te spreken 'kunstenaarsbeleid' terwijl er juist naar 'kunstbeleid' gestreefd moest worden. Dat kunstbeleid moest gericht zijn op het stimuleren van 'topkunst' van kunstenaars die zich op de overigens nog altijd schamele kunstmarkt moesten kunnen bewijzen en in hun werk aansluiting vonden bij internationale kunstontwikkelingen.

Waar een top is moet ook een bodem zijn, en in de loop van de jaren tachtig ontstond het idee dat de BKR-kunst die bodem was. Dat er ook kunstenaars die nu tot de top gerekend worden - van Karel Appel tot Rob Scholte - gebruik van de BKR hadden gemaakt, deed aan dat beeld niets af.

Het negatieve imago van de BKR werd nog versterkt toen bleek dat de erfenis van al die jaren steunbeleid geresulteerd had in kelders vol met soms nog onuitgepakte BKR-kunstwerken.

De zaak lag zo gevoelig dat de kunstenbonden in 1992, toen minister van cultuur d'Ancona de BKR formeel afschafte, haar vroegen zich publiekelijk niet meer negatief over de BKR uit te laten. 'Het negatief imago van de BKR versterkt het idee dat Nederlandse kunstenaars al potverterend alleen maar kunst maken waar niemand om vraagt, die in kelders verdwijnt. Dat tast de positie van alle kunstenaars in Nederland aan', zei de voorzitter van de afdeling beeldende kunst van de Kunstenbond FNV, Kees de Valk in 1993 in deze krant.

WIK

De 'kwestie BKR' raakt inderdaad het hart van het Nederlandse kunstbeleid. De stapels BKR-kunst in kelders waar niemand raad mee wist, zijn het tastbare bewijs van de verstoring van het wankele evenwicht waarop het kunstbeleid in Nederland gebaseerd is. De overheid ondersteunt kunstenaars omdat de kunstmarkt gebrekkig functioneert. Met andere woorden: Nederlanders kopen als particulieren niet voldoende kunst om kunstenaars in leven te houden. De Nederlandse overheid compenseert dat door namens die niet-kunstkopende Nederlanders geld aan de kunstenaars te geven, omdat kunst belangrijk wordt geacht. Maar zulk beleid is kwetsbaar, want het gebrek aan steun voor kunst in de samenleving, breidt zich snel uit naar gebrek aan steun voor kunstbeleid.

Als de kunst in pakhuizen blijft liggen, brokkelt de steun snel af voor een beleid waarbij blijkbaar teveel geld aan teveel kunstenaars is gegeven die teveel kunst hebben geproduceerd. Wat na de oorlog als goedbedoelde oplossing voor noodlijdende kunstenaars begon, was een probleem geworden: een blijvend probleem in de vorm van honderduizenden kunstwerken.

Het Nederlandse kunstbeleid voor de beeldende kunst, waarvoor in vergelijking met andere kunstsectoren de markt het kleinst is, heeft sinds de afschaffing van de BKR in het teken gestaan van de kater die die regeling heeft opgeleverd. De heftigste reactie kwam meteen na de afschaffing van de BKR: minister Brinkman hevelde een deel van het BKR-geld over naar het Fonds voor beeldende kunst, dat aan een selecte groep op kwaliteit en vooruitstrevendheid uitgezochte kunstenaars tijdelijke stipendia verleende. Zij kregen en krijgen een steuntje om zich beter op de kunstmarkt te ontplooien. Van een in feite levenslange bijstand zoals bij de BKR was geen sprake meer. De stipendia vielen onder het 'cultuurbeleid' en hadden niets meer met Sociale Zaken te maken. Veel kunstenaars (enkele duizenden) die op de BKR gesteund hadden, en niet in aanmerking kwamen voor stipendia, kwamen vanaf 1984 via de bijstand toch weer bij Sociale Zaken terecht. Dat leverde weinig problemen op totdat twee jaar geleden de bijstandswet werd aangescherpt. Kunstenaars die tot dan toe de bijstand als steunregeling hadden gebruikt, zouden moeten gaan solliciteren.

Niet de politiek, maar de kunstenaarsorganisaties kwamen in 1993 met een plan voor een nieuwe steunregeling. Dat plan, voor een basisbeurs, maakte duidelijk dat ook de kunstenaarsorganisaties hun lesje van de BKR geleerd hebben. De voorgestelde regeling is namelijk te beschouwen als het tegendeel van de BKR. De algemene opvatting over de BKR was dat kunstenaars teveel geld kregen en teveel kunst maakten. De kunstenbonden stelden nu voor: wij leveren geld in als we de vrijheid houden om kunst te mogen maken. Geld in ruil voor vrijheid - een soort financiële contraprestatie.

Het zou raar zijn geweest als voor dit voorstel - dat per saldo een bezuiniging oplevert - geen steun te vinden was geweest bij de Nederlandse politici. Het plan werd dan ook vorig jaar door de politiek overgenomen, maar met een belangrijke wijziging. De kunstenbonden wilden graag dat de kunstenaars een uitkering van driekwart van een bijstandsuitkering als basisbeurs kregen, met de mogelijkheid om tot het minimumloonniveau bij te verdienen. Maar uit het deze week naar de Tweede Kamer gestuurde wetsvoorstel voor de Wet Inkomensregeling Kunstenaars (WIK), zoals het van de kunstenaars overgenomen plan nu heet, blijkt dat minister Melkert van Sociale Zaken en staatssecretaris Nuis wat zuiniger zijn. Zij stellen voor dat een kunstenaar een basisbeurs krijgt voor maximaal 4 jaar van 60 procent van een bijstandsuitkering en mag bijverdienen tot 115 procent van het bijstandniveau.

Volgend jaar juni wordt de Wet Inkomensregeling Kunstenaars waarschijnlijk van kracht, precies tien jaar na het einde van de BKR. Of de WIK een oplossing voor de noodlijdende kunstenaar biedt, moet nog blijken. Voor de kater van de vorige oplossing biedt John Loose een medicijn.