Eindelijk

De buffel en de muskusos botsten tegen elkaar, onder de eik, in het midden van het bos.

Het was een enorme klap. Verbluft bleven ze even staan en liepen toen weer door. Ze sloegen een hoek om en stonden stil. De muskusos werd al eerste boos.

“Wat?!”, riep hij. “Kon hij niet uitkijken? Zag hij niet dat ik er aan kwam?”

De buffel hoorde zijn geschreeuw en vroeg aan de valk, die boven het bos vloog: “Wie schreeuwt daar zo?”

“De muskusos”, zei de valk.

“De muskusos??”, zei de buffel. “Die daarnet niet uitkeek en tegen mij aanliep?”

“Ja”, zei de valk.

“Waarom schreeuwt hij?”

“Omdat hij boos is op jou.”

“Op mij??”, zei de buffel. “Op mij??” Hij voelde de bult op zijn voorhoofd en begon ook te schreeuwen.

“Afschuwelijke muskusos!”, riep hij. “Niet uitkijken, hè, dat kan je!”

De muskusos hield juist even stil om op adem te komen en hoorde het geschreeuw.

“Wie schreeuwt daar?”, vroeg hij aan de valk.

“De buffel”, zei de valk. “Die is boos op jou.”

“Boos op mij??”, schreeuwde de muskusos. “Ik ben boos op hèm! Hij is tegen mij opgebotst.”

Ze werden steeds bozer op elkaar en riepen:

“Is hij boos? Ik ben boos! Ik!”

Ze stampten op de grond, schreeuwden en hielden af en toe even stil om te horen of de andere nog boos was. Maar ze hielden nooit tegelijk stil.

Het bos kraakte en dreunde van hun boosheid. De dieren vluchtten de woestijn in, vlogen naar de bergen of zwommen vlug naar zee.

Alleen de buffel en de muskusos bleven achter.

Ze raasden en tierden tot ze omvielen en niet meer konden schreeuwen.

Toen kwamen de dieren weer terug. Het was laat in de avond. De maan scheen.

De dieren legden een deken over de buffel en de muskusos heen.

“Welterusten”, zeiden ze.

“Hij boos? Ik boos”, mompelden de buffel en de muskusos nog een paar keer, heel zachtjes. Toen vielen ze in slaap.

Midden in de nacht werden ze even wakker, spitsten hun oren, hoorden alleen het geruis van de bomen en het zachte kabbelen van de rivier, en dachten: eindelijk... Ze knikten en sliepen weer verder.

Iedereen sliep.