De dubbelrol van de onderzoeksrechter

AMSTERDAM/BRUSSEL, 18 OKT. Speler of scheidsrechter? Deze vraag werd enkele jaren geleden in Nederland gesteld ten aanzien van de rechter-commissaris (RC), die bij de grotere strafzaken een sleutelrol vervult in het voorbereidend onderzoek. Voor de Belgische tegenhanger van de RC, de onderzoeksrechter, is niet zozeer sprake van een keuze als wel van een dubbelrol.

De Belgische onderzoeksrechter houdt toezicht op het onderzoek en beslist over de toepassing van dwangmiddelen, zoals voorlopige detentie of het afluisteren van telefoons. Daarnaast geeft hij ook daadwerkelijk leiding aan het onderzoek, de instructie.

Na een overtreding of misdrijf stelt de politie proces-verbaal op, verhoort verdachten en geeft dit door aan de procureur des konings (in Nederland vergelijkbaar met de officier van justitie) van het betreffende arrondissement. België is ingedeeld in 27 arrondissementen (in Nederland 19) met ieder een eigen procureur des konings als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, ook wel de staande magistratuur genoemd.

Indien de procureur des konings het geval ernstig genoeg vindt voor een gerechtelijk onderzoek, schakelt hij een onderzoeksrechter in. Deze moet alle elementen verzamelen om de waarheid boven tafel te halen en stelt een dossier op met bewijsmateriaal à charge en à décharge van de verdachte. De onderzoeksrechter kan de politie inschakelen en huiszoekingen laten uitvoeren of telefoons laten afluisteren. Hij beslist autonoom of hij een verdachte laat aanhouden. Zijn bevoegdheden gaan echter niet verder dan het betreffende arrondissement. Als het onderzoek het gerechtelijk arrondissement overschrijdt, wordt één van de twee (binnenkort drie) nationale magistraten ingeschakeld.

De onderzoeksrechter leidt het gerechtelijk onderzoek, onafhankelijk van de procureur des konings. Die laatste kan hem wel iets influisteren, maar de onderzoeksrechter hoeft geen bevelen aan te nemen van de procureur. Aan het eind van het (objectieve) onderzoek overhandigt de onderzoeksrechter een dossier aan de procureur des konings, die een rechterlijk college (de raadkamer) vraagt of de aanklacht voldoende is om de verdachte voor het bevoegde tribunaal te laten verschijnen.

Er is ten minste één onderzoeksrechter per gerechtelijk arrondissement. Hij wordt benoemd voor het leven en is onafzetbaar. Maar hij kan wel van een onderzoek worden gehaald door het Hof van Cassatie, het hoogste rechtscollege in België, zoals deze week bleek bij in de affaire-Dutroux. Het Hof van Cassatie oordeelde dat onderzoeksrechter Connerotte de schijn van partijdigheid had gewekt met zijn aanwezigheid op een benefietavond voor slachtoffers van kinderontvoerder Dutroux. Dit was volgens het Hof in strijd met artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek (vergelijkbaar met de Nederlandse Wet op de Rechterlijke Organisatie) en met artikel 542 van het Wetboek van Strafvordering, waaruit “volgt dat de onderzoeksrechter die door een partij op haar kosten is ontvangen of van haar geschenken heeft aangenomen (-) in de onmogelijkheid verkeert haar zaak te behandelen”.

In België leidde het besluit van Cassatie tot een hevige discussie over de partijdigheid van onderzoeksrechters. Sommige juristen herinnerden er aan dat een onderzoeksrechter niet enkel de hoedanigheid heeft van een rechter, maar ook die van officier van gerechtelijke politie. In die laatste functie heeft hij de wettelijke opdracht om misdrijven vast te stellen, misdadigers op te sporen en slachtoffers te beschermen. In zijn functie als officier van gerechtelijke politie kan de onderzoeksrechter moeilijk onpartijdig zijn, zo stellen juristen, omdat zijn wettelijke opdracht haaks staat op de plannen van misdadigers. Maar het Hof van Cassatie volgde deze gedachtengang niet en stelde dat Connerotte van de zaak moest worden ontheven, omdat hij was ontvangen door en een vulpen had aangenomen van “een partij”: de stichting Marc et Corinne die zich inzet voor verdwenen kinderen en die zich burgerlijke partij heeft gesteld in de zaak-Dutroux.

Anders dan in Nederland kunnen in België slachtoffers of hun nabestaanden zich als 'burgerlijke partij' naast het openbaar ministerie opstellen. Daarmee hebben slachtoffer en nabestaanden in België meer mogelijkheden zich rechtstreeks in een strafrechtelijke procedure te laten gelden. In Nederland blijft deze mogelijkheid beperkt tot het vorderen van een (wettelijk beperkte) schadevergoeding. In België heeft de burgerlijke partij, net als de verdachte, inzagerecht in het strafdossier in de 48 uur voordat de verdachte voor raadkamer of kamer van inbeschuldigingsstelling moet verschijnen. Momenteel wordt een discussie gevoerd om de rechten van de burgerlijke partij uit te breiden tijdens de eerste fase van het onderzoek, omdat ze nu slechts beperkt inzagerecht heeft in het strafdossier - zeker als er geen verdachte is. In het geval van verdwenen kinderen wordt betoogd dat de familie relevant zou kunnen reageren op onderdelen uit het dossier.

Een ander verschil met Nederland is dat in België juryrechtspraak bestaat: het Hof van Assisen. De jury wordt, aldus de grondwet, “ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven”. Dit zal het geval zijn voor Marc Dutroux, die heeft bekend kinderen te hebben ontvoerd en zijn handlanger Bernard Weinstein te hebben vermoord. Juryleden worden aangewezen en kunnen alleen weigeren indien zij een wettige reden hebben, dat wil zeggen indien zij wegens gezondheid of bevooroordeeldheid niet kunnen deelnemen. In de praktijk wordt het steeds moeilijker om juryleden te vinden, vooral voor grotere zaken, omdat steeds minder mensen er tijd in willen of kunnen steken. Maar in de zaak-Dutroux is de maatschappelijke relevantie zo groot, dat verwacht wordt dat er voldoende belangstelling zal zijn.