Chaos rondom de Muur

Uwe Timm: Johannisnacht. Uitg. Kiepenheuer & Witsch, 282 blz. ƒ 50,40 (geb.)

Een man in de roman Johannisnacht vertelt een andere man een verhaal. Dat moet een chaotische maar spannende geschiedenis zijn, want de luisteraar maakt de verteller het volgende complimentje: 'Een goed verhaal is net een labyrint.' Waarop de ander meesmuilt: 'Ja, maar intussen ben ik wel de draad kwijt.'

Chaotisch is Johannisnacht zeker, hetgeen nu juist de charme van het boek uitmaakt. De ik-verteller kijkt terug op avonturen die hij niet opzocht maar die hem domweg overkwamen. Hier is iemand aan het woord die geen greep op zijn leven heeft, dus hoeven wij niet tegen hem op te kijken. Integendeel: we grinniken superieur om de oren die hij zich telkens weer laat aannaaien.

Als je Johannisnacht een schelmenroman wilt noemen, wat best plausibel is, dan slaat het eerste deel van die typering eerder op de talloze bijfiguren dan op de in wezen brave hoofdpersoon. Grote en kleine bedriegers bevolken de stad Berlijn zoals schrijver Uwe Timm die ziet. Het verhaal speelt zich af in de drie dagen en nachten waarin de kunstenaar Christo de Reichstag verpakte, eind juni 1995 dus. De ik-figuur, die net als zijn auteur in München woont, vertoeft uitgerekend in deze drukke tijd in Berlijn ten behoeve van een onderzoek naar de geschiedenis van de aardappel. En net als in Die Entdeckung der Currywurst, de vorige roman van Uwe Timm, dijt de speurtocht naar opkomst en verbreiding van een populair voedingsmiddel uit tot een alomvattende volksgeschiedenis, de jongste geschiedenis van de Duitsers in dit geval.

En daarmee is Johannisnacht tevens een Wenderoman, want behandeld worden de razendsnelle veranderingen na de Duitse Wende en na de val van de Muur, veranderingen die vooral in Berlijn verbluffende proporties hebben aangenomen en die reeds een hele reeks andere schrijvers hebben geïnspireerd, zoals Thomas Brussig, Jens Sparschuh en Irene Dische. Van deze satirici is Uwe Timm misschien wel de goedmoedigste. Zijn spot gaat altijd samen met bewondering: inventief, vitaal en kleurrijk zijn Timms oplichters. Of het nu om West- of om Oostduitsers gaat, om jonge illegale vreemdelingen of om stokoude Berlijners, steeds maken zij van de jacht op harde Duitse marken een virtuoze act.

Het techno-meisje Tina bijvoorbeeld troggelt de aardappelonderzoeker honderden marken af met telefoonseks die slinks aan zijn oudemannengeilheid appelleert, en veel te laat pas ontdekt hij haar ware sekse. Zijn in een dagblad-advertentie gestarte zoektocht naar een Kartoffelkatalog leidt tot een ontmoeting met een handelaar voor wie het codewoord Kartoffel iets heel anders betekent: de catalogus die deze zakenman op tafel legt blijkt uitsluitend afbeeldingen van landmijnen te bevatten.

Dergelijke verwikkelingen geven Uwe Timm zowel de gelegenheid om smakelijke vermommings-, angst- en achtervolgingsscènes in te lassen als om eens lekker kritiek te spuien op het laat-kapitalistische herenigde Duitsland. Er is in zijn boek een onmiskenbaar verband tussen de agressie van de mensen en de dolgedraaide economie. In de Berlijnse heksenketel is men dag en nacht druk doende het hoofd boven water te houden, dus blijft er geen tijd over om aan anderen te denken, laat staan aan de verbroedering van Ossies en Wessies.

Uwe Timm, geboren in 1940, heeft zich in navolging van zijn figuren aan de veranderde omstandigheden aangepast. Klagen over misstanden doet hij niet meer, dat was iets voor de linkse jaren zeventig. Hij heeft inmiddels geleerd dat een schrijver die van zijn vak wil leven, voor vermaak moet zorgen - en die kennis past hij in zijn Wende-roman toe met spetterend plezier.