Bij pensioen toch verschil op grond van geslacht

Houden pensioenfondsen er rekening me dat vrouwen gemiddeld ouder worden dan mannen? En zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het principe van gelijke behandeling van mannen en vrouwen?

Volgens de sterftecijfers over het begin van de jaren negentig leven in Nederland vrouwen ruim zes jaar langer dan mannen. Voor een pensioenfonds is dat een zeer belangrijk gegeven. Het betekent dat een ouderdomspensioen voor vrouwen gemiddeld duurder is dan voor mannen: een pensioenfonds heeft voor de ouderdomspensioenen van zijn vrouwelijke verzekerden gemiddeld een hogere premie nodig om rond te komen dan voor zijn mannelijke verzekerden.

Voor nabestaandenpensioenen geldt het omgekeerde: een man loopt een groter risico om bij overlijden een nabestaande achter te laten dan een vrouw. In een gecombineerd ouderdoms- en nabestaandenpensioen - en de meeste aanvullende pensioenverzekeringen hebben zo'n combinatie - zijn vrouwen per saldo slechts iets duurder dan mannen.

Maar het verschil in levensverwachting is niet constant. Tot 1950 werden in Nederland relatief geringe verschillen in gemiddelde levensduur tussen mannen en vrouwen waargenomen. Ze werden toen vooral veroorzaakt doordat in het eerste levensjaar onder jongens de sterfte hoger lag dan onder meisjes. Begin deze eeuw bedroeg het verschil in levensverwachting 'slechts' iets meer dan één jaar, begin jaren vijftig ruim twee jaar. Daarna nam het verschil in levenslengte snel toe tot (het Nederlandse maximum van) 6,9 jaar in 1982. In 1993 werd 6,2 jaar vastgesteld.

Begin jaren vijftig verklaarden verschillen bij kinderen beneden de 15 jaar 27 procent van het totale verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen - thans nog maar 3 procent. Nu leveren juist de sterfteverschillen tussen oudere mannen en vrouwen een steeds grotere bijdrage aan het totale verschil in levensverwachting, en verklaren thans ruim viervijfde van het verschil. Vooral hart- en vaatziekten hebben de verschillen in levensduur tussen de geslachten doen toenemen. Vergeleken met de jaren vijftig kan door veranderingen in sterfte aan hart- en vaatziekten circa de helft van de totale toename van het sindsdien opgetreden verschil in levensduur worden verklaard. De rest van de verklaring moet worden gezocht bij veranderingen in de kankersterfte. Verkeersongevallen spelen slechts een zeer bescheiden rol. Ons leven verloopt anders dan dat van onze voorouders. Een pensioenfonds zou wel gek zijn als het géén rekening zou houden met de verschillen in levensverwachting. Om de wettelijke verplichting van pensioenbetalingen te waarborgen, moet het fonds ervoor zorgen dat de betaalde premies voldoende zijn om het risico te kunnen dekken. Als er meer vrouwen tot het pensioenfonds toetreden, stijgt het verzekerde risico.

Onlangs verscheen het rapport Levensverwachting en pensioen: geslacht-afhankelijke of sexe-neutrale actuariële factoren? van de hand van prof.dr. E. Lutjens, hoogleraar pensioenrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en advocaat te Utrecht, en NIDI-onderzoeker dr. F.W.A. van Poppel. Het werd in opdracht van het ministerie van Justitie geschreven.

Lutjens pleit ervoor om in vrijwel alle relevante gevallen het gebruik van geslachtsafhankelijke factoren te verbieden. In de Verenigde Staten is dat al geruime tijd het geval, in Europa veelal niet. Nu is het alleen zo dat pensioenbedrijven op grond van het principe van gelijke behandeling van mannen en vrouwen de pensioenpremies voor mannen en vrouwen niet afzonderlijk mogen vaststellen. Andere geslachtsspecifieke situaties komen echter 'gewoon' voor.

Om wat voor verschillen gaat het? Een voorbeeld. Overdracht van pensioenaanspraken naar een ander pensioenfonds. Bij verandering van baan kan overdracht van pensioenaanspraken plaatsvinden van fonds X naar fonds Y, zodat de werknemer later bij pensionering uitsluitend nog met fonds Y te maken heeft. Uiteraard moet fonds X dan aan fonds Y een vergoeding betalen. Voor een vrouwelijke werknemer is dat risico groter dan voor een mannelijke, zodat het alleszins redelijk is dat fonds X bij een vrouw méér betaalt dan bij een man.

Een tweede voorbeeld: uitruil tussen ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Gehuwden verzekeren meestal zowel de eigen oude dag als die van de nabestaanden. Alleenstaanden hebben niets aan een nabestaandenpensioen en zouden dus eigenlijk voor dezelfde premie een hoger ouderdomspensioen verdienen. Het is mogelijk om een nabestaandenpensioen uit te ruilen voor een hoger ouderdomspensioen of omgekeerd. Vrouwen ondervinden bij uitruil echter een dubbel nadeel: het nabestaandenpensioen voor vrouwen is relatief weinig waard en hun ouderdomspensioen is relatief duur. Het opgeven van het nabestaandenpensioen leidt dus slechts tot een geringe verhoging van het ouderdomspensioen.

Echtscheiding. Het rekening houden met verschillende sterftekansen per geslacht leidde bij echtscheidingen vóór 1 mei 1995 veelal tot uiterst onbillijke pensioenverdelingen, aangezien de tot het moment van echtscheiding opgebouwde pensioenaanspraken naar één bedrag (vermogenswaarde) werden omgerekend. Het bedrag voor het nabestaandenpensioen werd geheel intact gehouden, het resterende bedrag voor het ouderdomspensioen werd gelijk verdeeld tussen man en vrouw. Bij vrouwen is echter het aandeel ouderdomspensioen hoger, zodat zij bij echtscheiding een groter gedeelte moeten afstaan. Op zich is dat nog wel te verdedigen, maar de door de vrouw afgestane vermogenswaarde vertegenwoordigt voor de man een veel grotere aanspraak op ouderdomspensioen, omdat hij statistisch immers korter leeft. Onder het oude systeem werd de vrouw dus dubbel benadeeld: van haar eigen pensioen moest zij het leeuwendeel afstaan, van het pensioen van haar echtgenoot kreeg zij slechts een schijntje (in termen van pensioenaanspraken).

En ten slotte werkgeverspremies. Op grond van EU-wetgeving en jurisprudentie is het verboden bij het vaststellen van pensioenaanspraken en werknemerspremies onderscheid te maken naar geslacht. Een man en een vrouw met exact dezelfde carrière moeten hetzelfde netto loon ontvangen (geen verschil in werknemerspremie) en na pensionering hetzelfde pensioen ontvangen (geen verschil in pensioenaanspraken). Naast de premiebetaling door de werknemer zelf wordt echter meestal ook premie betaald door de werkgever. Deze werkgeverspremies mogen voor mannen en vrouwen wèl verschillen. Hierdoor kan de vrouwelijke werknemer voor de werkgever duurder zijn dan de mannelijke werknemer, hetgeen de vrouwelijke sollicitant in een nadelige concurrentiepositie brengt.