Bij de verkiezingen in Nicaragua voert de vrije markt de boventoon

Nicaragua is veranderd. Zelfs Daniel Ortega, de befaamde comandante van de sandinistische revolutie van 1979, gelooft nu, zij het schoorvoetend, in de vrije markt. Zondag worden presidentsverkiezingen in Nicaragua gehouden, maar of Ortega, die in 1990 de macht verloor, opnieuw aan de macht komt is nog onduidelijk.

MANAGUA, 18 OKT. “Daniel is veranderd omdat de wereld verandert”, zegt Xavier ernstig. Op zijn hoofd een zoetig petje, waarop in roze en gele letters de handtekening van de presidentskandidaat is gedrukt: Daniel Ortega. De sierlijkheid van een reclame voor parfum. De mildheid van een Indiase goeroe. Zo presenteert de vermaarde 'comandante' van de sandinistische revolutie in 1979 zich na bij de verkiezingen van zondag.

Een warme tropenregen stroomt uit de lucht. Onder het lekkende palmdak wachten ongeveer vijfhonderd mannen van de sandinistische vervoersvakbonden op de komst van de leider. Geduldig kruist Xavier zijn brede armen over de dromende blik en de lankmoedige glimlach die 'Daniel' op zijn natte T-shirt tentoonspreidt. Natuurlijk heeft Ortega fouten gemaakt, geeft Xavier toe. Maar in de elf jaar (1979-1990) dat Daniel het land regeerde, had iedereen te eten. “De kinderen gingen naar school, en medicijnen waren gratis”, zegt Xavier, die nog samen met het Sandinistische Bevrijdingsfront (FSLN) van de comandante dictator Somoza ten val heeft helpen brengen. “Dat kan toch allemaal niet voor niets geweest zijn?”, zegt hij, terwijl hij zich met de FSLN-krant Barricada tegen de regen probeert te beschermen.

Op de voorpagina de laatste peilingen: Daniel 41 procent, Alemán (de kandidaat van de liberale partij) 38 procent. “De hoop groeit”, juicht de krant. In kleine lettertjes binnenin het programma van de sandinisten-nieuwe-stijl: de particuliere sector als 'motor' van de industrie, privatisering van de publieke sector, en een op de markt afgestemde monetaire politiek. Geen spoor meer van de socialistische beginselen waarmee het Sandinistisch Front zeventien jaar geleden aantrad. Met een rode zakdoek en kogelvrije brillenglazen beloofde Daniel Ortega het juichende volk nationalisaties en landhervormingen. Ze zouden het land uit de misère trekken waarin het onder vijftig jaar Somoza-dictatuur terecht was gekomen. Een Amerikaanse handelsboycot en een door de VS gefinancierde contrarevolutie waren het gevolg. In 1990 verloren de sandinisten de verkiezingen. Xavier haalt zijn schouders op. Natuurlijk waaien nu ook de sandinisten mee in de huidige neoliberale wind die overal op de wereld wordt gevoeld. “Maar het maakt wel uit. Er is een verschil of je bezuinigt met of zonder de instemming van de werknemers”, meent hij.

Een swingende salsa-band begeleidt het wachten op Daniel. Jongens in zwarte hemdjes van taxi-coöperatie 'de brandende autoband' maken grappen over 'de speklap', de belangrijkste tegenspeler van Ortega voor het presidentschap. De 50-jarige conservatieve koffieboer Alemán heeft inderdaad het uiterlijk van een voldane walvis. Meer een bijeenkomst van de weight-watchers dan een verkiezingsspot lijkt het, wanneer hij weer omringd door zijn weldoorvoede familie op televisie verschijnt. Een land waar - volgens de Verenigde Naties - driekwart van de bevolking onder de armoedegrens leeft en een kwart van de kinderen ondervoed is.

“Een fontein kun je niet eten”, is het commentaar van de jongens van de 'brandende autoband' op de prestaties die Alemán de afgelopen zes jaar als burgemeester van Managua heeft geleverd. De hoofdstad ligt erbij als een omgeploegd dorp. Hutjes van platgeslagen blik, golfplaat en plastic langs onverharde modderpaden. Maar heeft nu wel een fontein. Met mooie groene en rooie kleuren 's nachts. “Ssst, hij komt!”, ellebogen de jongens van de 'brandende autoband'. Reikhalzend gaan ze op hun stoelen staan. Daar komt hij. Daniel de nieuwe. Vier uur te laat. Omringd door een stevige groep lijfwachten. Bijna verlegen schrijdt hij voort in zijn witte bloes. Ouder en stijver, zijn huid geschminkt, zijn haar geverfd, en zijn spreekwoordelijke bril vervangen door een paar contactlenzen. “De toekomstige president”, wordt hij aangekondigd en uit de luidsprekers klinkt plechtig Beethovens 'Alle Menschen werden Brüder'. Geen sandinistisch strijdlied, maar ook geen toespraak. Omringd door notarissen dreunt Daniel Ortega de tekst op van een akkoord: geen verhoging van benzineprijzen zonder overleg met de bonden, belooft het akkoord. Tevreden gaat de bijeenkomst uit elkaar.

“De ironie is dat er nu meer reden tot revolutie is dan ooit tevoren”, zegt Sergio Calamagna in zijn kantoor in Managua. De Argentijn is een directeur van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) die op de vrede in Nicaragua moet toezien. Meer dan 30.000 contrarevolutionaire boeren leverden de afgelopen zes jaar hun wapens in. Maar ook het Nicaraguaanse leger, dat overwegend sandinistisch was, werd stevig gereduceerd. “De grote verdienste van president Violeta is dat ze de vrede in dit land heeft teruggebracht”, zegt Calamagna. Violeta Chamorro leidde een regering van gematigd- en extreem-rechtse partijen. Bij de verkiezingen in 1990 versloeg deze coalitie de sandinisten. Chamorro bracht vrede. Maar geen vooruitgang. Produktiviteit en nationaal inkomen zijn onder haar bewind gedaald tot het niveau van de jaren dertig. Op Haïti na is Nicaragua nu het armste land van Latijns Amerika. Een werkloosheid van meer dan 60 procent. Een import die twee keer zo hoog is als de schaarse hoeveelheid produkten die het land exporteert. Een import die bovendien voor 95 procent bestaat uit luxe-artikelen voor de rijken.

De regen trekt strepen op zijn blote borst. Zijn tenen woelen door de modder. Enrique Ramirez (40) schudt zijn hoofd. “Of je nu door de hond of door de kat wordt gebeten.” Het is laat in de middag in Acahulinca, een gewone volkswijk in Managua. Ongeveer vijfhonderd families in golfplaten hutten aan de rand van het meer. Vrouwen wapperen naar de vuren voor hun deur. De geur van maïs en rottend afval. “Natuurlijk vertel ik u niet wat ik stem”, zegt Enrique. “Maar uiteindelijk maakt het voor ons niet veel uit.” Al vier jaar zit hij zonder werk. Van de acht leden van zijn familie heeft niemand werk. Hoe hij leeft? Enrique's armen zweven door de lucht. “Dank zij de Heer”, zegt hij en wijst naar een paar bonenplantjes tussen de hutten.

Enrique heeft nog met de sandinisten gevochten: “Voor vrijheid en rechtvaardigheid”, zegt hij plechtig. Maar toen kwam de oorlog tegen de contra's en de hardhandige recrutering door de sandinisten van jonge mannen voor het leger. “Twee zoons heb ik in de bergen verloren”, roept een vrouw in een strak hemdje die erbij is komen staan. Ze drukt haar laatste baby tegen zich aan. “En waarom?” Woedend spuugt ze op de grond.

Minzaam glimlacht de campagneleider van Arnoldo Alemán op de vraag of deze hem bij een overwinning zijn villa zal teruggeven. “Alhoewel de kwestie van het privé-eigendom het belangrijkste thema is voor de toekomst van dit land, willen we zeker niet het idee geven dat het om een revanche gaat”, zegt Jaime Morales Carazo diplomatiek. Even later zit de bankier echter met verve te vertellen hoe comandante Ortega en zijn vrouw al sinds 1979 als krakers in zijn luxueuze huis in het centrum van Managua wonen. Foto's van de comandante tussen de tapijten en de schilderijen van de bankier. Zijn mooie antieke eettafel eindigde als ministerstafel in het regeringsgebouw. Een beeld van een naakte vrouw in de VIP-room van het vliegveld. “Voor señor Ortega was het genoeg dat hij revolutionair was om diefstal te rechtvaardigen”, zegt Morales. Ten onrechte werd hij er door de sandinisten van beschuldigd een vriendje van Somoza te zijn, meent Morales. De foto waar hij samen met de dictator opstaat, heeft “niets te betekenen”. Zoals ook de laatste onthullingen over zijn protégé en petekind Alemán slechts sandinistische propaganda is. De beruchte beul van de familie-Somoza, aan wie de jonge rechtenstudent Alnoldo Alemán in 1968 zijn eindscriptie opdroeg, zou slechts een “vage kennis” van de jongeman zijn geweest. “Iedereen die in Managua wat betekende had in die tijd wel betrekkingen met de familie Somoza”, stelt Morales, terwijl voor zijn raam het gehuil en geklap aanzwelt. Ar-nol-dooo! Vrouwen en mannen in witte bloesjes klappen hun handen rauw voor de kandidaat die hun “uit eigen zak” een cursus Engels heeft betaald. “How is your English now?”, vraag ik aan een jong meisje. Onbegrijpend kijkt ze me aan. “Als je hier ziek wordt ga je dood”, had Enrique Ramirez gezegd in de regen van zijn houten hut. “Maar als je niet dood bent lach je je rot.”