Beginnen als ze zindelijk zijn; De jeugdige leerlingen van vioolpedagoge Coosje Wijzenbeek

'Zoveel mogelijk resultaat met zo min mogelijk werk.' Dat is de strategie waarmee vioolpedagoge Coosje Wijzenbeek een succevolle praktijk heeft opgebouwd. Haar leerlingen zijn vaak jong en oefenen op hun 1/8 of 1/16 viool zoveel mogelijk in vingervlugheid en stokvoering. “Hoe jonger het lichaam naar de viool gevormd wordt, hoe beter: vioolspelen doet wat dat betreft niet voor turnen onder.”

De Fancy Fiddlers geven op zo 27 okt. een uitvoering op Landgoed Waterland, Rijksweg 116, Velsen-Zuid. Aanvang 12u.

'Een kind te zijn is triest zijn en ontgoocheld,' schrijft L.Th. Lehmann in zijn gedicht 'Enfance'. Heeft een kind na lange onderhandelingen eindelijk een padvindersfluit gekregen, dan wordt die direct weer afgenomen, 'om het geluid.' En het zijn niet alleen de volwassenen die in opstand komen, ook de kinderen zelf lijden onder de schrille, harde toon van de padvindersfluit. Toch blazen zij, 'hoewel het haast pijn doet. / Wij wachten tegen beter weten / op een melodie, die komen moet, / zo maar vanzelf / licht en zwevend.'

Ik ken geen andere tekst die beter de muzikale illusies en desillusies van het kind beschrijft. En geen tekst die indringender het belang aangeeft van goed muziek-onderwijs. Want, een enkele miraculeuze uitzondering daargelaten, de meeste kinderen moeten hard studeren voordat de melodie zo maar vanzelf komt. Naast de padvindersfluit is vooral de viool een instrument dat zich moeilijk laat temmen. De gecompliceerde bewegingen van linker- en rechterhand vereisen een volmaakte spierbeheersing en een verfijnde motoriek. Franz Werfel laat in zijn verhaal Géza de Varsany een twaalfjarig wonderkind optreden dat zijn moeder mee op reis neemt om zijn vlees voor hem te snijden - zo spaart hij zelf de wijsvinger van zijn rechterhand. Bovendien meldt dit wonderkind laconiek dat hij zes uur per dag studeert, 'werkt', vooral aan de beruchte vingeroefeningen van de pedagoog Sevík. Dat lijkt misschien een verstandige strategie voor een kind dat een viool in bedwang wil houden. Maar wie bedenkt dat de beroemdste leerling van Sevík, Jan Kubelik, oefende totdat zijn vingertoppen bloedden en dat Sevík zelf aan één oog blind was omdat er een stalen snaar van zijn viool was geknapt, hoopt dat er nog een andere weg is die naar het meesterschap leidt.

De vioolpedagoge Coosje Wijzenbeek doet haar leerlingen een strategie aan de hand die veel verleidelijker klinkt: 'Zoveel mogelijk resultaat met zo min mogelijk werk.' En de strategie heeft effect. Wijzenbeek is een van de meest succesvolle vioolpedagogen in Nederland, haar lespraktijk wordt druk bezocht door studenten en collega's, ze doceert vioolmethodiek aan het Amsterdams conservatorium, en geeft lezingen in binnen- en buitenland over haar werkwijze en haar idealen. Wanneer ik op een middag de lessen kom bijwonen, kijken de kinderen daar dan ook nauwelijks van op. Ze zijn de belangstelling gewend. Ze hebben bovendien weinig tijd voor verbazing, want zo gauw de viool gestemd is, staan er toonladders op het programma. In hoog tempo wordt de toonladder van de week overhoord. Een jongetje van acht (“nee, achtenhalf!”) neemt een ogenblik de viool onder zijn kin vandaan om te vertellen over de buschauffeur die ruzie kreeg met een vrachtwagenchauffeur, maar dan gaat het alweer verder: gebonden, martelé, spiccato, triolen aan de slof, drieklanken, tertsen.

Kabaal

Vioolspelen is leuk, verzekert een ander jongetje mij als wij even alleen zijn, leuker dan drumspelen, want dat maakt zoveel kabaal. Wijzenbeek bevestigt het later: “De meeste kinderen vinden vioolspelen leuk. Waarom? Omdat ze graag muziek maken, omdat ze houden van de omgang met het instrument.” Het ziet er dan ook naar uit dat de leerlingen opgewekt en grotendeels uit vrije wil naar de lessen komen. En waar in het reguliere onderwijs, zoals Bordewijk schrijft, leerlingen onveranderlijk Ten Hompel heten, Van der Karbargenbonk, of Klotterbooke, prijken op de programma's van de vioolklas namen als Soetenbroek, Engelsbel, Wijzenbeek. Maar dat alles neemt niet weg dat er gewerkt moet worden. Na de toonladders worden de études overhoord, na de études de voordrachtstukken - en na iedere performance komt de strenge vraag: wat vond je er zelf van? Een negenjarig meisje vervalt na deze vraag tot diepe stilte. Dan zegt ze zuchtend: “Het was wel, hmm, het had, hmm, nou ja, pfff. Het kón beter.” Het kan altijd beter.

Coosje Wijzenbeek streeft met al haar leerlingen naar het hoogst bereikbare: de cd. Het moet ook hun eigen streven worden. “Het belangrijkste wat ik ze kan leren”, zegt ze, “is dat ze zich bewust worden van zichzelf. Ze moeten luisteren naar wat ze doen. Ze moeten het verschil horen tussen hun eigen versie en de ideale uitvoering. Vioolspelen is nadenken.” De kinderen blijken iedere keer toch weer door deze methode overvallen te worden; al moeten ze de vraag vaker gehoord hebben, het blijft moeilijk om een oordeel te geven over hun eigen prestaties. “Als je zelf les zou geven”, vraagt Wijzenbeek aan een leerling die duidelijk te weinig heeft gestudeerd, “wat zou je hier dan van zeggen?” “Ik kan niet lesgeven,” zegt het jongetje treurig. Hij heeft plotseling een uitgesproken hekel aan Bach en Wijdeveld en aan vioolspelen en aan muziek. De docente blijft onaangedaan: “Als je studeert moet je jezelf lesgeven.” Licht snikkend hervat het jongetje Bachs vioolconcert in A, allegro moderato.

Gebroeders Dalton

De leerlingen van Coosje Wijzenbeek beginnen meestal op jonge leeftijd, soms zelfs op zéér jonge leeftijd, 'als ze maar zindelijk zijn', en spelen dus niet op een 'hele' viool, maar op 1/8 of 1/16 of een een enkele keer op 1/32 viool. Zo'n viooltje heeft niet dezelfde rijke klank als een volwassen instrument: het gekras dat je bij drie-jarige violisten hoort, ligt niet altijd aan hun spel, soms ligt het ook aan hun viool. Maar de aanblik van een kind met 1/16 viool is adembenemend. Onder de verzamelnaam De Fancy Fiddlers geven de leerlingen van Wijzenbeek regelmatig uitvoeringen, bij ensemble-stukken staan ze dan steevast opgesteld als de gebroeders Dalton: de grootsten voorop, de allerkleinsten spelen aan het einde van de stoet vol overgave mee.

Toch zijn uitvoeringen van De Fancy Fiddlers niet in de eerste plaats een belevenis omdat je na ieder programma-onderdeel het publiek bewonderend hoort zuchten. De grootste charme schuilt in de programmering. Hoe vaak geeft een volwassen violist een uitvoering met overwegend virtuoso-muziek en encores? Wie, zoals ik, een liefhebber is, kan bij concerten van De Fancy Fiddlers zijn hart ophalen aan de scherzo's, cappricio's, mazurka's, havanaises en aan de Legende van Wieniawski of, in het jargon, de Ellende van Wieniawski. En als er Mozart gespeeld wordt, dan gelukkig meestal in de bewerking van Kreisler. Het dient gezegd, zoveel romantiek wordt natuurlijk niet geprogrammeerd om het publiek te bekoren, maar om techniek te oefenen, dubbelgrepen, vliegende staccato's, flageoletten. Hoe jonger het lichaam naar de viool gevormd wordt, hoe beter: vioolspelen doet wat dat betreft niet voor turnen onder. Dat is ook de reden dat Wijzenbeeks leerlingen iedere week veel huiswerk meekrijgen en elk stuk vijf keer moeten spelen. Zelfs wanneer de muziek nog niet helemaal perfect klinkt, oefenen ze zo toch hun vingervlugheid en stokvoering: “Als je ze maar genoeg verschillende muziek meegeeft, vervelen ze zich niet zo gauw. En als ze goed nadenken tijdens het studeren, hoeft het echt niet zo lang te duren.” Voor sommige kinderen kan het overigens niet lang genoeg duren. Zo was er het kleine stoere jongetje met zijn baseball-petje, dat bij het inpakken van zijn viool zei: “Zeg Coos, ik wil eigenlijk wel wat vaker komen.” Wijzenbeek vertelt het grinnikend: “Die mag blijven.”

Wat de kinderen met alle kennis en vaardigheden uiteindelijk willen doen, is hún zaak. Wijzenbeek spreekt met haar leerlingen niet over hun toekomst: “Ik wil niet anders dan eruit halen wat erin zit. De leerlingen moeten tot hun eigen oordelen komen en tot hun eigen spelopvattingen. Ik probeer de kinderen zo min mogelijk te stempelen.” Er is dan ook veel dat zich tegen het stempelen verzet. Ieder kind heeft zijn eigen mix van talent, discipline, fysieke aanleg - en iedere jonge violist heeft onvermijdelijk ouders: zoals er tennisouders zijn, zijn er ook vioolouders, met wie zowel leerling als leraar terdege rekening dienen te houden. Zelfs over de groten der aarde gaat het verhaal dat zij ouders hadden:

Said Poppa Elman to Poppa Menuhin: 'How is your boy Yehudi doin'?' 'It's immortal the way he weaves a spell man!' Said Poppa Menuhin to Poppa Elman.

Sommige leerlingen hebben bovendien vioolspelende zusjes en ook deze zusjes kunnen een rol spelen in de verdere carrière. Kortom, niets is voorspelbaar wanneer een kind van vier voor de eerste maal de stok op de snaren zet. Pas na verloop van tijd splitsen de wegen zich uit.

Hof-virtuoos

Voor de violisten die de top bereiken, ligt de wereld open. Je kunt op een postzegel komen, zoals Joseph Joachim, of Hof-Virtuoos worden van de keizer, zoals Paganini - of je kunt kiezen voor een andere carrière en schilder worden, zoals Paul Klee. Maar niet iedereen bereikt de top en het is niet zo dat Wijzenbeek de talenten voor het oprapen heeft, al ontstaat die misvatting wel eens. Er zijn ook kinderen die al vrij vroeg blijven stilstaan in hun ontwikkeling, en voor hen heeft de toekomst weer iets anders in petto. Wanneer ik leerlingen en pedagoog heb verlaten en thuis wat mismoedig naar de Kreislers op de lessenaar kijk, bedenk ik dat niemand zich hoeft te schamen die in de virtuositeit blijft steken. Hij verkeert in het charmante gezelschap van al die genieën die ook niet konden vioolspelen - en het toch deden, zoals de schilder Ingres en Albert Einstein.

Franz Werfel beschrijft in zijn verhaal Géza de Varsany de ontgoocheling van een veertienjarige die niet kan vioolspelen, en zelfs die ontgoocheling leidt tenslotte tot zelfinzicht. Want het zelfinzicht waartoe Coosje Wijzenbeek haar leerlingen opvoedt, is gelukkig niet het alleenrecht der grote musici: het kan ook bestaan in het besef dat je de ideale uitvoering nooit zult benaderen. Franz Werfel confronteert het twaalfjarige wonderkind De Varsany met een gewoon kind, Freddie. Deze onbeholpen rechtsbuiten is een van de slechtste violisten van zijn tijd, denkt hij, zo al niet de allerslechtste. Zijn vioolleraar heeft hem de deur gewezen met de verzuchting dat het hopeloos is: 'Het is je reinste vivisectie.' Zijn ouders, actief in de plaatselijke kunstkring, zijn er van overtuigd dat hun zoon op een van de laagste trappen der incarnatie staat. Het is pas wanneer Freddie de wonderbaarlijke Géza de Varsany hoort spelen dat hem het verlangen bevangt naar het hogere, het onbereikbare; door de Polonaise van Wieniawski wordt hij zich van zijn eigen mogelijkheden bewust, en zo gebeurt het onverwachte: 'Hij had geen koorts. Hij had iets veel ergers dan koorts. Hij had een ziel.'

Voor de romantici onder ons, die vanaf de lage trappen van hun incarnatie opkijken naar Wieniawski, is dat misschien nog wel het belangrijkste van goed muziek-onderwijs: niet de virtuositeit die het oplevert, maar de bevattelijkheid voor de melodie die komen moet, 'zo maar vanzelf, licht en zwevend.'