Alles onder machtige luchten; Jan van Goyen, schilder van wind en wolken

De zeventiende-eeuwse schilder Jan van Goyen is bekend als landschapschilder, maar zou beter 'luchtschilder' genoemd kunnen worden. In zijn wolkenluchten leefde hij zich uit, in iedere combinatie van lichtval en wolkenformatie weet hij een subtiele spanning op te bouwen. Aan Van Goyen is nu in Leiden een grote tentoonstelling gewijd. “De kernvraag bij Van Goyen is 'Houden we het droog?' ”

Jan van Goyen. Stedelijk Museum De Lakenhal, Leiden. T/m 13 jan. 1997. Catalogus met bijdragen van Christian Vogelaar (inleiding), Edwin Buijsen (de schetsboeken), Eric J. Sluijter (Van Goyen als marktleider, virtuoos en vernieuwer), R.L. Falkenburg (over de weergave van het weer) en E. Melanie Gifford (over de technische kanten van de schilderijen), uitg. Waanders, 160 blz. Prijs ƒ 55,- en ƒ 75,- (geb.)

Bij de discussies, fora, debatten, studiedagen en bundels die de laatste jaren zijn gewijd aan onze nationale identiteit - al of niet met vraagteken -, komen enkele thema's steevast voor. Huiselijkheid, soberheid, conflictvermijdend gedrag, overlegmaatschappij, consensus, calvinisme, moralisme, handelsgeest, de 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg' habitus, de 'kop boven het maaiveld'-modus, gezelligheid, vergaderen en koffiedrinken. Maar een kenmerk ben ik in dergelijke bespiegelingen nog nooit tegengekomen, namelijk de obsessie met het weer. Toch is er geen land waar zoveel over het weer gefilosofeerd, gepraat en geleuterd wordt als Nederland. Dat verschijnsel sluit dan ook uitstekend aan bij die andere geesteskenmerken, omdat het weergesprek per definitie tot consensus leidt. Proefondervinderlijk is vast te stellen of iemand meteorologisch de waarheid spreekt en hooguit is men het oneens over gradaties. Het weer is neutraal, een gedemilitariseerde verbale zone.

Deze onbewuste obsessie heeft een lange achtergrond. Handel, vrachtvaart, visserij, takken van de economie waardoor Nederland een welvarend land is geworden waren weersafhankelijk. In de eerste plaats van de wind. Geen beurtschip, geen visserspink, geen koopvaardijschip kon uitvaren zonder een gunstige wind. En ook geen oorlogsschip. Zeeslagen die het lot van de natie zouden bepalen, waren afhankelijk van de wind. De wind bepaalde of de honderden molens in de Zaanstreek konden draaien. Landbouw en veeteelt waren afhankelijk van temperatuur en neerslag. Zelfs de trekschuit, het meest betrouwbare openbaar vervoer van Europa en voortgetrokken door paardenkracht, stond in de winter machteloos tegenover het ijs.

Andere landen hebben natuurlijk ook hun weer. Maar juist omdat in Nederland het vervoer hier in de allereerste plaats met zeilschepen plaats vond en omdat het weer hier zo snel kan omslaan was de Nederlander er zo alert op. Wie wel eens een Nederlands dagboek uit de Gouden Eeuw heeft opgeslagen, leest onmiddellijk dat men 's morgens als eerste het weer bestudeert.

Getraind

Als het bovenstaande hout snijdt, en er werkelijk een grotere betrokkenheid bij het weer bestaat dan in omringende landen, zou daar dan niet uit te verklaren zijn dat de Nederlandse schilders zo uitblonken in het weergeven van licht en lucht? Van kindsbeen af getraind in het taxeren van wind en wolken? Tot die grote meesters van de Nederlandse luchten moet naast Ruysdael en Willem van der Velde sr. en jr., Jan van Goyen worden gerekend. Ieder kan zich daarvan vergewissen op de mooie tentoonstelling die aan hem gewijd is in Museum De Lakenhal in Leiden. Daar hangen vijftig schilderijen en veertig tekeningen, chronologisch gerangschikt in rustige zalen. Van Goyen wordt gerekend tot een van de meest productieve en meest innoverende landschapsschilders. Volgens mij is de term luchtschilder meer adequaat. Zijn luchten zijn interessanter dan zijn landschappen.

De aanleiding tot deze tentoonstelling is Van Goyen geboorte, 300 jaar geleden in Leiden. Zij vader was schoenmaker, die overigens geregeld in het Dolhuis werd opgesloten. Na een aantal jaren in het atelier van schilders in Leiden en in Hoorn te hebben gewerkt, zette hij in 1617 zijn opleiding voort in Haarlem, bij Esaias van de Velde. Haarlem was de stad waar de uitbeelding van het Nederlandse landschap zijn belangrijkste impulsen kreeg. Vooral bij Van de Velde moet Van Goyen zich hebben toegelegd op die specialiteit. Naast het traditionele Vlaamse landschap, met dichte bossen, veel donker groen, veel heuvels en dalen en vorstelijke kastelen, ontdekte men de charme van het open Nederlandse landschap met zijn weidsheid, zijn onaanzienlijk boerderijtjes, zijn zandweggetjes, koeien en gekromde boeren, alles onder machtige luchten.

Na 1626 ging Van Goyen een eigen weg. De uitgewerkte landschappen met bonte figuurtjes, de volgepropte composities, maakten plaats voor een versobering en wel op verschillende niveau's. De composities werden eenvoudiger, het aantal personages nam af en het palet werd versimpeld tot tinten bruin en grijs. Deze ontwikkeling deelde Van Goyen met andere landschap- en zeeschilders, en ook in het stilleven is deze monochromisering karakteristiek voor de jaren dertig. Omdat van Goyen in zijn schilderijen ook de horizon verlaagde, kijkt men niet meer op het landschap of tegen het landschap aan, de illusie wordt nu gewekt dat men er in kan stappen en er deel van kan uitmaken.

Het werk uit de late jaren twintig en uit de jaren dertig, de duinlandschappen, de weilanden, de zeegezichten, maar vooral de riviergezichten is naar mijn smaak het beste wat Van Goyen heeft gemaakt. De afwezigheid van anekdotiek, de eenvoud van het voorgestelde, de voortreffelijke weergave van de atmosfeer van een weiland met koeien, een rivier met wat vissers, een paar eenden is niet overtroffen. Door de organische vormen, zowel van de bomen, de heuvels als van de huisjes en de mensen, en de vloeiende overgangen van de kleuren is een eenheid bereikt, natuur en cultuur zijn vergroeid. Een hoogtepunt is een klein riviergezicht uit Berlijn van maar dertien bij twintig centimeter.

In de catalogus beschrijft de Leidse kunsthistoricus E.J. Sluijter met welke kunstgrepen Van Goyen ons nog steeds betovert. Had hij, aldus Sluijter, werkelijk geschilderd wat hij buiten gezien had, dan had hij vooral groen moeten schilderen. Maar dat deed van Goyen niet. Het zijn vooral bruinen die de atmosfeer weergeven, wat het effect geeft van een vochtige ietwat mistige dag. Maar als Van Goyen werkelijk een dag vol mist had weergegeven dan had hij nooit zover kunnen kijken, terwijl nu de verste torenspitsjes zichtbaar zijn. Hij paste dus optische trucs toe met kleur en lichtval. Maar geen kijker zal zich bedrogen voelen.

In 1632 verhuisde Van Goyen naar Den Haag, ongetwijfeld met het oog op een verbeterde afzet. Hij begon zich ook toe te leggen op stadsgezichten. Haarlem, Dordrecht, Arnhem, Nijmegen, Antwerpen werden herhaaldelijk op groot formaat door hem vastgelegd. Ongetwijfeld zijn dat goedbetaalde opdrachten geweest. In de latere fase van zijn leven keert de anekdotiek weer terug en zijn de schilderijen bewegelijker, de formaten groter en de schilderijen uiteindelijk duurder.

Voor zijn landschappen in het algemeen en voor die stadsgezichten in het bijzonder, documenteerde Van Goyen zich op lange voetreizen. Het is een groot geluk dat er veel van de schetsen zijn overgebleven die hij op die tochten maakte, zo'n 800. Twee schetsboekjes zijn nog intact en een daarvan werd drie jaar geleden door de firma Hoogsteder & Hoogsteder in facsimile uitgegeven. Uit de selectie van veertig schetsen op de tentoonstelling is te zien met welk een vaart en trefzekerheid Van Goyen zijn indrukken neerzette. Stadsgezichten, stadsmuren, kerken, boerderijen, rivieroevers, altijd met een grote voorkeur voor het verval, en voor de integratie van bebouwing en begroeiing.

Tulpenbollen

Hoe succesvol hij ook is geweest, Van Goyen is met schulden gestorven. De catalogus besteedt ruime aandacht aan de waardering van Van Goyen tijdens zijn leven. Er zijn van hem 1200 schilderijen bekend. Hij moet er meer hebben gemaakt, maar die 1200 zijn er al extreem veel. Zijn werk was dan ook buitengewoon populair. Dat blijkt uit allerlei archivarisch materiaal. In boedelbeschrijvingen komt hij zeer frequent voor met naam en toenaam. Kopers hechtten dus veel waarde aan de eigenhandigheid. Er waren kopieën in omloop, maar daar werd veel minder voor betaald. De geschiedschrijver van de stad Leiden, Orlers, noemde hem dan ook in 1641 een van de 'cunstichste lantschap-schilders...die in onse tegenwoordige eeuwe, vermaert ende bekent sijn'.

Van Goyen moet snel en efficiënt hebben gewerkt en goed hebben verdiend. Hij kocht huizen, maar wat schadelijker was, ook tulpenbollen. Waarschijnlijk heeft hij zich in de zeventiende-eeuwse windhandel in deze bollen laten meeslepen en raakte hij daarom in de schulden. Een paar jaar voor Van Goyens dood, in 1656, schilderde zijn collega Gerard Terborgh een klein krachtig portret van hem. Een waakzaam man, in sobere donkere kleren. Bij zijn dood liet hij schulden na ter waarde van 18.000 gulden, een klein fortuin.

Spiegelingen

Schilders werkten in de zeventiende eeuw niet in de open lucht. Zij werkten thuis, uitgaande van hun schetsen en nog meer van hun geheugen. Dergelijke geheugens bestaan niet meer, of liever gezegd ze worden niet meer zo getraind. Van de boerderijen, scheepjes, oevers, bruggetjes, kerken en ruïnes die Van Goyen op zijn wandelingen door de duinen, in het Gooi, op de Veluwe en langs de Waal en de Rijn naar Kleef heeft gemaakt, maakte hij schetsen. Ook de spiegelingen in het water en het gebladerte van de bomen noteerde hij. De luchten daarentegen komen in schetsvorm helemaal niet voor. Hoogstens een enkele warrelige krabbel. Hij moet die machtige luchten dus uit zijn hoofd hebben gemaakt. Hoe langer je daar naar kijkt hoe meer je er ziet gebeuren. Louter formeel gezien is het verbazend hoe goed hij het volume van de wolken weergaf en hoe subtiel hij daar fijne kleurnuanceringen in aanbracht. Daarbij liet hij zelfs de nerven van het paneel door de verf schemeren om het uiteindelijke effect te versterken. Wie veel Van Goyens achter elkaar ziet (waar ze natuurlijk nooit voor bedoeld zijn geweest) kan wel eens verveeld raken door de geijkte compositie en door dezelfde motieven die steeds weer opduiken, die eeuwige kromme eiken, de gebogen boeren, de wat vormeloze duinen. Maar die luchten zijn altijd anders, net als in de werkelijkheid. Door de lage horizon, doordat de lucht soms wel driekwart van het oppervlak beslaat kon hij zich daar uitleven. Die luchten schilderde hij het eerst; de rest lijkt soms routine. De kracht van Van Goyen is denk ik niet alleen dat die luchten zo herkenbaar zijn, maar vooral dat er altijd iets gebeurt of gaat gebeuren of juist gebeurd is. De bliksem, een regenboog, dat zijn nog gemakkelijke dramatische effecten. Maar uit de combinatie van lichtval en wolkenformatie weet Van Goyen altijd weer een subtiele spanning op te bouwen omdat je, zeker als Nederlander, weet dat de zon op het punt staat door te breken, of dat het 'aan het betrekken' is, of dat het weer 'omslaat', of dat het erop lijkt dat we 'een schip met zure appelen krijgen'. En zelfs als het op aarde windstil is, gebeurt er iets in die luchten. Al is het maar de worsteling van een hagelwitte meeuw met een plotselinge bries boven het Hollandse landschap. De kernvraag bij Van Goyen is: 'Houden we het droog?'

Het wordt tijd voor een tentoonstelling van louter Meesters van de Lucht.