Alle mensen worden ziekenbroeders

Alain Finkielkraut: L'humanité perdue. Essai sur le XXe siècle, Ed. du Seuil, 173 blz. ƒ 36,50

Artsen zonder Grenzen en al die andere humanitaire organisaties verdienen op het eerste gezicht louter bewondering. Maar anders dan het Rode Kruis in de vorige eeuw ontlenen ze daar meer en meer ideologische status aan. Ze repareren steeds luidruchtiger de brokken die de Realpolitik her en der in de wereld maakt. Alain Finkielkraut kritiseert de hospitalisering van de mensheid.

La défaite de la pensée, Gallimard 1987, Folio-uitg. ƒ 14,50. (De ondergang van het denken, vertaald door Greetje van den Bergh, Contact 1988, uitverkocht)

Comment peut-on être croate?, Gallimard 1992, ƒ 38,45

La mémoire vaine. Du crime contre l'humanité, Gallimard 1989, Folio-uitg. ƒ 11,75 (Zinloze herinnering, vertaald door Greetje van den Bergh, Contact 1993, uitverkocht)

In zijn nieuwste beschouwing L'Humanité perdue laat de Franse filosoof Alain Finkielkraut zich kritisch uit over het wereldbeeld van humanitaire instanties als Artsen zonder grenzen. Hij beschrijft hoe ze de codes van het Rode Kruis doorbreken en geen heilig ontzag meer hebben voor de soevereiniteit van staten. Te beginnen met de hongersnood in Biafra in 1968 bedrijven deze hulpverleners geen stille diplomatie meer, maar klagen ze openlijk de verantwoordelijken aan voor het lijden van hun onderdanen.

Finkielkraut kijkt met bewondering naar dergelijke hulpverleners waar het hun praktische inzet betreft. Maar de uitvergroting van hun gevoeligheid tot een nieuwe ideologie kan hem niet bekoren. Want hoewel dit beroep op humanitaire urgentie juist wil breken met elke vooringenomenheid en zich aan de zijde van àlle slachtoffers stelt, wordt daar een hoge prijs voor betaald: de zienswijze van de arts getuigt evenzeer van oogkleppen als die van de activist.

Waarom? Door het slachtoffer enkel als slachtoffer te beschouwen worden alle rampen en catastrofes inwisselbaar. Er is geen verschil meer te maken tussen ongeluk en agressie. En bovendien is de humanitaire hulp-ideologie onfeilbaar, want wie zich aan de zijde van de slachtoffers schaart, heeft altijd het gelijk aan zijn kant. Vandaar de bevoogdende hoogmoed van veel hulpverleners die zich ontfermen over het leed van anderen.

Finkielkraut zegt het zo: 'Op zijn minst intellectueel is deze moraal van de uiterste urgentie een moraal van de uiterste gemakzucht.' Wie preventief wil handelen, tast altijd in het duister, moet keuzes maken en is dus feilbaar. Achteraf, als de gewonden op het slagveld moeten worden behandeld, zijn alle morele vragen in beginsel beantwoord. Om elke onaangename verrassing te vermijden is het geloof in de vooruitschrijdende mensheid vervangen door de onloochenbare waarheid van de lijdende mensheid.

Na het geloof is het gevoel gekomen. Maar dat gevoel kan pas worden aangesproken als het lijden zich in volle omvang heeft geopenbaard. Men zou kunnen zeggen: de terughoudendheid wordt pas overwonnen als het eigenlijk te laat is. Zo vormen Realpolitik en de humanitaire reparatie ervan een sluitend geheel. En dan is er nog de popmuziek voor een toefje planetaire kitsch: 'We are the world, we are the children'. De humanitaire wereldbeschouwing kan niet het laatste houvast zijn in een wereld zonder ideologieën, eerder een uitnodiging tot een nieuw conformisme.

De afgelopen tien jaar heeft de Franse filosoof Finkielkraut zich in tal van essayistische beschouwingen gebogen over de dieptepunten van onze beschaving. Het meerendeel van zijn boeken staat in het teken van wat de Britse historicus Eric Hobsbawm 'de eeuw van uitersten' heeft genoemd. De samenhangende ervaring van twee totalitaire stelsels in Europa - nationaal-socialisme en communisme - vormt de continue verwijzing en een morele toetssteen. Finkielkraut worstelt met de botsing van de idealen van de Verlichting en die van de Romantiek: universele waarden en een idee van 'de mensheid' tegenover particuliere culturen en de geborgenheid van een taalgemeenschap. Zijn antwoord op het probleem is nu minder eenduidig dan tien jaar geleden. Was het eerst 'er moet gekozen worden', nu zegt hij 'elke keuze is verkeerd'. Oftewel: de Verlichting en de Romantiek zijn, hoe strijdig ook, beide onvervreemdbare onderdelen van onze beschaving.

De meesterdenkers van Finkielkraut zijn onder meer: Charles Péguy, Emmanuel Lévinas, Hannah Arendt, Julien Benda, Primo Levi en Aleksander Solzjenitsyn. Het verzet bij Benda tegen de onluistering van universele waarden door het opkomende nationalisme, en de verstoring van de communistische illusie door Solzjenitsyn, markeren de intellectuele ruimte waarbinnen Finkielkraut zich wil bewegen. De joodse ervaring, met de Dreyfus-affaire en de Holocaust als centrum, vormt het vertrekpunt van zijn denken. In La mémoire vaine - zijn studie over het proces tegen 'de slager van Lyon' Klaus Barbie - buigt hij zich over de status van 'misdaden tegen de menselijkheid', zoals die door het tribunaal van Neurenberg zijn omschreven. Door deze categorie wordt, aldus Finkielkraut, de band tussen daad en dader hersteld en de verantwoordelijkheid voor de misdrijven gered tegenover het beeld van mensen die slechts willoze radertjes in een vernietigingsmachine zijn.

De mensheid Maar in de term 'misdaden tegen de menselijkheid' wordt nog iets anders zichtbaar. Het begrip 'de mensheid' behoort volgens Finkielkraut geen ijle abstractie te zijn waaraan mensen van vlees en bloed dienstbaar worden gemaakt. Het is omgekeerd: concrete individuen zijn de dragers en hoeders van deze meest algemene noemer en deze is daarmee ook geen vanzelfsprekendheid: 'De mensheid is plotseling beroofd van alle goddelijke voorrechten die aan haar waren toegekend door uiteenlopende vooruitstrevende stromingen: blootgesteld, kwetsbaar, is ze zelf vatbaar voor de ondergang'.

Finkielkraut zet zich af tegen 'de domme grijns van de broederschap'. De les van deze eeuw is juist dat men alle uitingen van wereldomvattende sympathie, van mondiale eenheid met wantrouwen moet bezien. Uit naam van de abstracte bekentenis tot 'de' mensheid zijn te veel dictatoriale stelsels gerechtvaardigd. Anders gezegd: na de dieptepunten van de moderne tijd is het geloof in een mensheid die voortschrijdt voorgoed gebroken.

Voor iemand die de oorlog zo'n centrale plaats geeft, is het niet verwonderlijk dat de vrede in ons deel van de wereld er wat bekaaid af komt. Soms is zijn cultuurkritiek wat gemakzuchtig. Uitweidingen over de leeghoofdigheid van een consumptiemaatschappij hebben we te vaak gelezen en overtuigen niet. In La défaite de la pensée kunnen we bijvoorbeeld lezen dat 'juist nu de techniek, via de televisie en de computer, in staat lijkt alle kennis bij iedereen thuis te brengen, wordt de cultuur vernietigd door de logica van de consumptie'. Elk cultuurpessimisme bestaat bij de gratie van een waarnemer die zelf geen onderdeel is van de neergang die wordt beschreven. Zo ook bij Finkielkraut. Het zijn altijd de anderen die worden meegesleept in een draaikolk van onmiddellijke behoeftenbevrediging, van oppervlakkige televisiecultuur enzovoorts. Dergelijke kritiek is vrijwel altijd een pose, die de schrijver op een nog hoger voetstuk moet plaatsen.

Wat wel overtuigt, is de beschouwing die eraan vooraf gaat over het romantische cultuurbegrip van de Duitse filosoof Herder en de doorwerking daarvan. Het begin daarvan ligt in het verzet tegen de universele aanspraken van het Franse verlichtingsdenken. Vanaf Plato tot aan Voltaire was het de menselijke verscheidenheid die rechtvaardiging behoefde uit naam van universele normen en waarden. Herder draaide die hiërarchie om en klaagde het universalisme aan uit naam van de menselijke verscheidenheid. Finkielkraut laat goed zien hoe via de omweg van het cultuurrelativisme de romantische gedachte het wint in het tijdperk van de dekolonisatie. Vaak met de beste bedoelingen: juist om mensen te leren hun eigen cultuur te relativeren en de grenzen daarvan te onderkennen, hoopt men toenadering en gelijkwaardigheid te bevorderen.

'Tolerantie versus humanisme: zo zou men de paradox kunnen samenvatten dat het afkeuren van etnocentrisme leidt tot het centraal stellen van ieders etnische afkomst'. Zoiets bevordert misschien de tolerantie, maar het verbreekt tegelijkertijd de culturele samenhang van de mensheid. Uiteindelijk wordt in La défaite de la pensée gekozen voor het universalisme van de Verlichting en tegen het romantische beeld waarin mensen verschijnen als gevangenen in een culturele traditie.

Daders Gezien zijn probleemstelling is het niet verwonderlijk dat de oorlog in Joegoslavië een diepe indruk op Finkielkraut heeft gemaakt. En het is interessant om te zien hoe zijn tamelijk eenduidige keuze voor het ideaal van de Verlichting verschuift in een beschouwing over deze oorlog in 1992. Daarin werpt Finkielkraut zich op als verdediger van de onafhankelijkheid van Kroatië.

Veel kritici hebben Finkielkraut en andere Franse denkers, zoals Bernard-Henri Lévy, beschuldigd van een puur mediamieke opwinding over deze kwestie. Helemaal ongegrond is dat verwijt niet, maar toch blijft na lezing van Comment peut-on être croate? de indruk achter van een integere worsteling met de oorzaken en gevolgen van het uiteenvallen van Tito's erfenis. Met goede argumenten verzet Finkielkraut zich tegen de kwalificatie van het conflict als een 'stammenoorlog', waarbij alle morele verschillen tussen de drie oorlogvoerende partijen verdampen en er geen verschil meer tussen dader en slachtoffer te maken zou zijn.

Finkielkraut neemt het in een vroeg stadium - vanaf het najaar 1991 - op voor het recht van Slovenië en Kroatië om zich los te maken van Joegoslavië. Wat hem, terecht, ergert is de neerbuigende houding van West-Europa tegenover de 'kleine volkeren', die zich moeizaam los proberen te maken van de knellende banden van het communisme: Slovenen, Kroaten, maar ook Slowaken, Esten, Tsjetsjenen enzovoorts. Er is sprake van een enorme ongelijktijdigheid: terwijl deze volken in het oosten hun plaats proberen te verwerven door zich los te maken uit ongewilde verbanden, zingt in het westen van Europa een elite de lof van de grenzeloosheid. Dat dergelijke openheid is gebouwd op comfort - het comfort namelijk van onomstreden grenzen en vanzelfsprekende welvaart - ontgaat de verlichte critici.

De Westeuropese 'droom' van Joegoslavië als voorbeeldige, ongebonden multinationale staat heeft volgens Finkielkraut verhinderd dat men in onze contreien doordrongen was van het verschil tussen een democratisch recht op zelfbeschikking en een etnisch gemotiveerde staatsvorming, waarbij van geen democratie sprake is en lotsbeschikking voorop staat.

Nu is natuurlijk veel beter zichtbaar hoezeer Finkielkraut zich in het karakter van Kroatië heeft vergist. President Tudjman heeft zich laten kennen als een autoritaire figuur, die er uiteindelijk geen probleem in zag om de Servische minderheid in zijn land met grof geweld te verdrijven. Bovendien zijn er nogal wat antisemitische uitingen van hem gerapporteerd (onder meer in Origins of a catastrophe van de voormalige Amerikaanse ambassadeur, Warren Zimmermann). Vooral dat laatste is nogal pijnlijk voor Finkielkraut, die in veel van zijn geschriften de joodse problematiek tot de kern van zijn denken verklaart.

Dat neemt niet weg dat de essentie van zijn boek over Joegoslavië overeind staat: de miskenning in West-Europa van het recht op zelfbeschikking van kleinere volken. En verder is moeilijk te weerleggen dat de democratie zich heeft gevormd in het kader van de natie-staat en vooralsnog niet op een hoger niveau tot bloei is gekomen.

Halve slotsom Finkielkraut weigert nu, anders dan in La défaite de la pensée, in te gaan op de keuze die hem wordt voorgelegd: 'De rechtvaardigheid of mijn moeder. Het universalisme of het bewustzijn van een bijzondere lotsbestemming. De onthechting of het verband. De openheid of het erfgoed. De tolerantie of de trouw'. Hij kiest niet langer voor de eenvoudige oplossing waarin de Verlichting als kosmopolitische houding bij uitstek alle legitimiteit verwerft en alle binding aan taal, traditie, territorium en gemeenschap als verdacht verschijnt. Beide houdingen blijken in de democratieën van Europa onontbeerlijk.

Deze vraag keert terug in zijn laatste boek, L'humanité perdue. In het eerste hoofdstuk volgt hij de carrière van het gelijkheidsbeginsel: hoe en wanneer erkent de mens de mens als gelijke? Met het wegvallen van de standenmaatschappij wijkt het verschil steeds verder terug voor de gelijkenis. Met de relativering van de hiërarchie krijgt de democratie steeds vaster grond onder de voeten in ons deel van de wereld.

Dan stelt Finkielkraut zijn hamvraag: 'Wat is er toch gebeurd dat de idee van een universele mensheid zo volkomen in de vergetelheid kon raken in het hart van de beschaving waar het zijn meest uitgesproken vorm had bereikt?' Om het mild te zeggen: de bevrijding van de mens blijkt niet in alle opzichten gewenst te zijn. De onmogelijkheid om het individu vast te pinnen op zijn afkomst, en daarmee de onontkoombare verantwoordelijkheid van eenieder voor zijn eigen lot, roept onbehagen op. Het antisemitisme levert daar het meest extreme bewijs van. Het laat zien dat het verlangen naar herkomst en omschreven gemeenschap zich een weg baant dwars door het beginsel van de gelijkheid. Dat is een eerste antwoord op de vraag wat er zo ondraaglijk is voor de mens aan de notie van de mensheid.

De slotsom van Finkielkraut kan niet anders dan halfslachtig zijn. Aan de ene kant is de mensheid een noodzakelijke verwijzing naar het gelijkheidsbeginsel, een kwetsbare maar onontbeerlijke norm. Aan de andere kant is in deze eeuw zichtbaar geworden hoe 'de meest radicale wil om de mens te bevrijden van zijn ketenen het universum van het concentratiekamp heeft opgeleverd'. De mensheid als idee is tegelijkertijd breekbaar en schadelijk gebleken. Het boek eindigt dus onbestemd. We moeten, zegt Finkielkraut zijn grote voorbeeld Arendt na, dankbaarheid oefenen tegenover hetgeen ons 'gegeven' is. De wrok van de moderne mens tegenover taal, grond of gemeenschap moet verworpen worden ten gunste van een bescheidener houding. Nadat hij het belang van de moedertaal heeft onderstreept - 'de enige taal die wat terugzegt' - vervolgt Finkielkraut met een kritische beschouwing over Internet en all that. De apologeten van het Internet denken dat de vereniging van de mensheid binnen handbereik is door de moderne technologie.

Gezien het voorgaande zal het niemand verwonderen dat Finkielkraut zich afzet tegen deze feestelijke omarming van 'de mensheid', tegen deze nieuwe planetaire idylle. Het is niet langer 'socialisme of de barbarij', maar 'toerisme of de barbarij'. De mensheid riekt naar verlichte despotie. Deze opstand tegen de geografie en de geschiedenis, tegen alles wat 'gegeven' is, tegen alles wat de mens ongevraagd aan zwaartekracht met zich meesleept, is een nieuwe vorm van hoogmoed, van ideologisch gemotiveerde dronkenschap. Zoveel hebben we blijkbaar niet geleerd.