AKO-jury miskent de allermooiste; De opmars der weetboeken

Morgen wordt de jaarlijkse AKO Literatuurprijs uitgereikt. Wie er een gewoonte van maakt een paar AKO-nominaties aan te schaffen, zit goed. Zelden stond er zoveel interessants op de shortlist. Maar het is een schandaal dat Meneer Beerta van J.J.Voskuil, één van de allermooiste boeken van het afgelopen jaar niet eens op de longlist terecht is gekomen. Uit de notulen van de jury blijkt dat het literaire karakter van de ingezonden boeken dit keer wel erg marginaal is getoetst.

De winnaar van de AKO-literatuurprijs wordt morgen bekend gemaakt in het televisieprogramma 'Sonja en de AKO-literatuurprijs'. Nederland 3, 21.05 u.

Op de shortlist voor de morgen uit te reiken AKO Literatuurprijs staat voor het eerst in de tienjarige geschiedenis van de prijs meer 'literaire non-fictie' dan 'literaire fictie' (de termen zijn van de jury). Twee van de zes uitverkoren titels zijn biografieën, twee zijn essaybundels. Tussen de 270 ingestuurde oorspronkelijke Nederlandse boeken kon de jury maar één verhalenbundel vinden die het waard was genomineerd te worden, Begeerte van de Utrechtse debutante Manon Uphoff, en één roman: Zionoco van de routinier Leon de Winter.

Dat de jury zich niet tot fictie heeft beperkt, is te prijzen. Volgens het enkele jaren geleden herziene reglement is het nadrukkelijk toegestaan ook non-fictie met een literair karakter voor te dragen. De nominaties van dit jaar accentueren dat er een continuüm bestaat dat van pure fictie naar pure non-fictie loopt. Veel wat zich tussen die uitersten bevindt, is 'literatuur'. Dat neemt niet weg dat je je kunt afvragen of de fictie deze keer niet al te zeer is weggedrukt.

De jury bestaat dit jaar uit H.J.L. Vonhoff, voorzitter van het Nederlands uitgeversverbond, de recensenten Ed van Eeden, Janet Luis en Frans Roggen, de schrijver/criticus Henk Pröpper en hoofdredacteur Marcel van Nieuwenborgh van De Standaard. In het tussentijdse juryverslag schrijft voorzitter Vonhoff, dat men onverwachts met een aantal voortreffelijke biografieën werd geconfronteerd, 'na een langere tijd van schraalte op dit gebied'. Eigenlijk, zo bekent de voorzitter, had hij ook nog de Heijermans-biografie Geluk van Hans Goedkoop willen nomineren. Het aanbod bepaalde dit keer de kleur van het boeket.

Maar moesten daarom zo veel verdienstelijke romans en verhalenbundels wijken?

Laat ik vooropstellen dat de genomineerde non-fictiewerken alle vier zeer lezenswaardig zijn. Rudy Kousbroek bewerkte op voorbeeldige wijze zijn krantenverslagen van twee reizen naar de streek van zijn jeugd tot het aangrijpende, met foto's geïllustreerde Terug naar Negri Pan Erkoms. Charlotte Mutsaers bundelde in Paardejam haar met niets en niemand te vergelijken stukken over kunst en literatuur, en over haar speciale manier van kijken daarnaar. En de hoogleraren Van Oostrom en Otterspeer schreven met Maerlants Wereld en Bolland twee superieure biografieën. Van Oostrom gaat in op de alom geachte dertiende-eeuwer Jacob van Maerlant, van wie we tot nu toe bijna niets wisten, behalve dat hij een veel geprezen veelschrijver was. En Otterspeer schrijft zo ongeveer over Maerlants tegendeel, de alom geminachte filosoof Bolland, over wie in de loop van deze eeuw een enorme hoeveelheid materiaal is verzameld.

Wie er een gewoonte van maakt om elk jaar een paar AKO-nominaties aan te schaffen, zit dit jaar goed. Zelden stond er zoveel interessants op de shortlist.

Toch waren er de afgelopen tijd een paar romans die evenzeer een plaats op de lijst met kanshebbers hadden verdiend. In de eerste plaats is het een schandaal te noemen dat één van de allermooiste boeken van het afgelopen jaar zelfs niet op de longlist terecht is gekomen. Ik doel natuurlijk op Meneer Beerta van J.J. Voskuil, een boek dat door bijna alle kranten juichend is besproken, en dat als één van de weinige beslist de volgend eeuw zal halen. Meneer Beerta, het verslag van een paar jaar op een wetenschappelijk onderzoeksinstituut, is een van die schaarse boeken die met de totale inzet van iemands persoonlijkheid geschreven zijn. Het is prikkelend, onthullend en bovendien verhelderend voor wie de beschreven periode nader wil leren kennen.

Blijkens de notulen van de juryvergaderingen is Voskuils boek net als de meeste andere inzendingen door twee juryleden gelezen die het beiden de kwalificatie B (middelmatig) meegaven. Daarna werd het op 25 april van de lijst met kanshebbers afgevoerd.

Ik zou wel eens willen weten wie die twee juryleden zijn die dit boek zo argeloos naar de mestvaalt verwezen. Juist van een jury die zo gevoelig lijkt te zijn voor het echt gebeurde in de literatuur, had toch verwacht mogen worden dat ze dit hoogtepunt meteen had herkend.

Jury-notulen

Wie de notulen van de juryvergaderingen bestudeert, vallen wel meer merkwaardigheden op. Zo blijkt het literaire karakter van de ingezonden boeken dit keer wel heel erg marginaal te zijn getoetst. Alleen een paar echte domkoppen zijn bij de eerste kennismaking naar de categorie 'hors concours' doorverwezen, maar verder mocht bijna iedereen aan de literaire competitie meedoen. Tot de weinige titels die wegens het ontbreken van literaire pretenties niet tot een volgende ronde zijn doorgedrongen, behoren Staatsvorming en politieke theorie van de hoogleraar politicologie Siep Stuurman, het Israelische reisboek Dagen in Gaza van Anja Meulenbelt, en het sportboek Stukken beter van Mart Smeets.

Ik denk dat de jury wel iets strenger had mogen zijn. Zo is het nu genomineerde Maerlants wereld van Frits van Oostrom, bij alle verdiensten die het boek onmiskenbaar heeft, beslist geen literatuur. De grens tussen beide genres zal altijd wel arbitrair blijven. Vooral de laatste jaren zijn er veel non-fictie-boeken verschenen die zo persoonlijk van toon zijn dat ze tot het terrein van de kunst gerekend mogen worden, maar Maerlants wereld van Van Oostrom hoort daar niet bij. Het boek behoort op grond van de aanpak en de talrijke verwijzingen eerder tot het genre van de 'secundaire literatuur'. Het roept met veel inlevingsvermogen de wereld op waarin de grote dertiende eeuwse dichter gedijen kon. Het is goed geschreven, en goed opgebouwd, maar het mist de verbeelding en het risico die de ware literatuur kenmerken.

Aan de Bolland-biografie van Otterspeer is te zien hoe het anders kan. In recente jaren zijn er verschillende voorbeelden geweest van biografen die hun boek lieten uitgroeien tot verhalen of romans. Toen F.B. Hotz aan het titelverhaal van Dood weermiddel begon, was hij eerst van plan een levengeschiedenis te schrijven van een ingenieur die zich in verdedigingswerken specialiseerde. Zo ook was Tonnus Oosterhoffs roman Het dikke hart aanvankelijk opgezet als een historische reconstructie van het leven van de schilder Gerrit van Houten.

Wat Otterspeer in Bolland aantoont, is dat een literair geschreven biografie wel degelijk een biografie kan blijven. Het was voor hem tegelijkertijd een koud kunstje geweest om het boek nog iets vrijer vorm te geven en er dan het etiket 'roman' op te plakken.

Agressie

Het systeem dat de jury van de AKO Literatuurprijs dit jaar heeft gevolgd, is dat elk boek ten minste door twee juryleden werd gelezen. Zij konden het daarna als goed, middelmatig of slecht beoordelen. In de onderste categorie, bij de mislukkingen, belandden op deze manier boeken als Spookliefde van Vonne van der Meer, Eigen vlees en bloed van Carla Boogaards, Dorpsstraat ons dorp van Jan Siebelink en John Jansen van Galen, de essaybundel Geritsel van papier van de Vlaamse hoogleraar Hugo Bousset en de roman Nieuws van de nacht van de Amsterdamse criminoloog Herman Franke. Deze boeken konden geen enkele genade vinden bij de jury.

Dat gold eens te meer voor het boek waarvoor de jury een aparte categorie E besloot uit te vinden, Het huwelijk van Hendrickje Spoor. Dat wekte kennelijk zoveel agressie bij een van de lezers, dat het niet in de gangbare indeling ingepast kon worden. Zéér, zéér slecht dus.

In de middelste categorie, de B-categorie van de middelmatigen, vielen onder meer het dunne bundeltje Zondagmorgen zonder zorgen van Gerard Reve, Het schrikbewind van verzinsels van Jaap van Heerden, Ik droom dus van Margriet de Moor, Zonder wijzers van Russell Artus, Gewaagd leven van Astrid Roemer, Buitenwacht van Stefan Sanders, Drie zusters in Londen van Eric de Kuyper en het voor de Librisprijs genomineerde De heerlijkheid van Julia van Oscar van den Boogard.

Ten slotte bleven 28 boeken over die van de jury een A-kwalificatie kregen. Tot deze titels behoorden Adriaan van Dis' boekenweekgeschenk Palmwijn, Jan Brokkens omvangrijke roman Blinde passagiers, Hans Goedkoops Heijermans-biografie Geluk, en Remco Camperts bundeltje De zomer van de zwarte jurkjes.

Het merkwaardige van deze lijst met 'geslaagde titels' is dat er een aantal boeken op staat dat, hoewel gunstig beoordeeld, toch niet op de in september gepubliceerde longlist terecht is gekomen. Zo ontbreekt daarop Nanne Teppers prachtige debuutroman De eeuwige jachtvelden, deze maand nog met de Anton Wachterprijs bekroond en naar mijn idee een andere pijnlijke misser van deze jury. De met A's gehonoreerde essaybundel Algemene zaken van de Leidse historicus H.L. Wesseling is weggevallen, evenals Bert Wagendorps sportroman De proloog, Camperts Zwarte jurkjes en, een derde raadsel, Henk van Woerdens tweede Zuidafrikaanse roman Tikoes.

Het enige dat we weten is dat F.B. Hotz' bundel De vertegenwoordigers van de A-lijst verdwenen is, omdat zijn uitgever het na de eerste beoordeling terugtrok. Kennelijk voelde Hotz er niets voor om in een kermis als die van de AKO prijs mee te draaien.

Het wegvallen van mensen als Van Dis, Tepper, Van Woerden en Campert is des te merkwaardiger omdat andere boeken, die minder goed uit de eerste selecties zijn gekomen, uiteindelijk wel op de longlist terecht kwamen. Zo dook Willem Brakmans Een voortreffelijke ridder, die bij de eindbeordeling nog slechts in de B (middelmatig) categorie viel, plotseling op de longlist op. En ook de twee fictie-boeken die nu tot de eindselectie zijn doorgedrongen, kwamen geen van beide met vlag en wimpel door de voorronden heen. Over Leon de Winters Zionoco, dat een goede kans maakt morgen met de prijs van honderdduizend gulden te worden gehonoreerd, aarzelde de jury aanvankelijk tussen een A- en B-classificatie, net als bij Manon Uphoffs genomineerde verhalenbundel Begeerte. Volgens de notulen zweefde zij zelfs nog na de tweede juryvergadering van 16 maart tussen middelmatig en goed.

Voorkeur

Moest ik uit de zes door de jury uitverkoren titels een keuze maken, dan ging mijn voorkeur uit naar de Bolland-biografie van Willem Otterspeer. Zijn boek bevat veel, misschien al te gedetailleerde verwijzingen naar de leefwereld van de vroeg twintigste-eeuwse filosoof Bolland en staat bovendien vol lange citaten. Maar Otterspeer heeft deze zo ongelooflijk fraai gerangschikt, en hij schrijft er zo mooi en gevoelvol over dat het boek als literatuur kan worden beschouwd. En dan geen literatuur als meeslepende, technisch perfecte vertelling, zoals Leon de Winter levert, maar literatuur als worsteling: een worsteling in Otterspeers geval met een ongelooflijke hoeveelheid materiaal. In dat opzicht doet zijn Bolland soms denken aan Multatuli's Max Havelaar.

De genomineerde boeken van Charlotte Mutsaers en Rudy Kousbroek zijn beide voor een groot deel in deze krant voorgepubliceerd en moet ik om die reden buiten mijn vergelijkend warenonderzoek laten. Ze behoren uiteraard tot de top.

Op de vierde plaats zou ik van de zes Leon de Winters Zionoco kiezen, de enige echte roman van de lijst. Dit boek over een Nederlands-Amerikaanse rabbi die op komische wijze verstrikt raakt in zijn lagere driften, is in veel kranten nogal negatief beoordeeld. Ten onrechte, volgens mij. Het is misschien niet de beste roman van het afgelopen jaar, maar het is een erg komisch boek met een ondertoon van diepe tragiek. Zionoco is met vaart geschreven en het heeft een intrigerende, voor Nederland ongebruikelijke thematiek. Het is mij een raadsel waarom veel critici de ironie niet hebben herkend, die in de vele erotische stijlbloempjes schuilt. Wie dit boek, zoals sommigen, voor kitsch durft te verslijten, moet eerst zijn eigen stijlgevoel maar eens aan een kritisch onderzoek onderwerpen.

De bundel Begeerte van de debutante Manon Uphoff, ten slotte, is een verdienstelijk debuut - maar ook niet meer dan dat. Dat de jury het slotverhaal 'Poep' in haar verslag 'nu al klassiek' noemt, is zwaar overdreven. Het korte verhaal over een zwerver die vanwege een weddenschap een paar happen verse hondenpoep neemt, is door zijn onderwerp misschien origineel en opmerkelijk, maar het is conventioneel opgeschreven, een beetje onhandig ook. Begeerte is in ieder geval niet zo goed als de jury ons nu wil doen geloven.

Mijn keuze zou zijn:

1. Willem Otterspeer: Bolland (Bert Bakker)

2. Rudy Kousbroek: Terug naar Negri Pan Erkoms (Meulenhoff)

3. Charlotte Mutsaers: Paardejam (Meulenhoff)

4. Leon de Winter: Zionoco (De Bezige Bij)

5. Manon Uphoff: Begeerte (Balans)

6. Frits van Oostrom: Maerlants wereld (Prometheus)

En hors concours:

1. J.J. Voskuil: Meneer Beerta (Van Oorschot)

2. Nanne Tepper: De eeuwige jachtvelden (Contact)