Aardige schijtlijster zwetend op toneel in de burgeroorlog

Voorstelling: !Ay Carmela!, van José Sanchis Sinisterra, door De Nieuw Amsterdam. Regie: Nilo Berrocal; vertaling: Babette van den Brink; decor: Peter Oskam. Spel: Muriel Bats, Felix Burleson, Bas Grevelink. Gezien: 17/10 De Brakke Grond, Amsterdam. T/m 19/10 aldaar; tournee t/m 24/11. Inl. 020-6278672.

Wanneer hij zich onbespied waant roept hij overmoedig, met gebalde vuist: 'Ik heb schijt aan de fascisten!' Zodra hij echter in het licht van de schijnwerpers staat vereert variété-artiest Paulino de partij die hij zojuist nog vervloekte. Kunstenaars in oorlogstijd, zo blijkt uit de voorstelling !Ay Carmela!, gedragen zich net als mensen: de meesten van hen willen overleven, meer niet.

Het door José Sanchis Sinisterra geschreven drama speelt zich af in 1938, in het Spaanse plaatsje Belchite. Een fascistische luitenant dwingt Paulino en zijn partner Carmela een voorstelling voor het winnende leger te improviseren, en hij nodigt ook een stel republikeinse krijgsgevangenen uit die op hun executie wachten. Gestimuleerd door hun aanwezigheid provoceert Carmela, heel even maar, de machthebbers in Belchite, en het gezellige avondje eindigt met haar gewelddadige dood. Carmela is al gestorven als het verhaal begint. Maar haar schim laat Paulino niet met rust. De dode Carmela daagt hem uit en treitert hem, zij wekt zijn mannelijke jaloezie, zijn liefde en latente schuldgevoelens.

Regisseur Nilo Berrocal heeft getracht iets van die koortsachtig-surrealistische sfeer uit het stuk vast te houden door de speelvloer in tweeën te splitsen. Een verhoogd podium is het domein van Paulino, die niets wil weten van wat daarbuiten gebeurt. Daarbuiten wordt gevochten, op de vloer vlak voor zijn neus. Paulino ziet het niet: hij heeft uitsluitend oog voor Carmela, die wèl contact met de buitenwereld maakt. Het is een goed doordacht concept, maar in de uitvoering door De Nieuw Amsterdam werkt het slechts matig.

Vooral in het begin wordt er veel te nadrukkelijk gespeeld. Het krijgsgevangenenkoor zingt te hard en de twee artiesten op hun podiumpje maken eveneens veel herrie, zelfs als ze met elkaar bezig zijn in plaats van met het uitoefenen van hun vak. Muriel Bats als de kinderlijk driftige Carmela dribbelt rond en ruziet en kat, met druk fladderende handjes en wijd opengesperde ogen. Haar kleine-meisjes-koppie lijkt op dat van Giulietta Masina, de naïeve artieste in Fellini's film La strada, alleen is Muriel Bats niet zo'n goede actrice.

Ook Felix Burleson staat zichzelf aanvankelijk te overschreeuwen, en niet alleen om boven de muziek van de cellist en de accordeonist uit te komen. Hij komt pas laat op dreef, maar als het eenmaal zover is weet hij als enige werkelijk te ontroeren: hilarisch èn pijnlijk zijn dan Paulino's verwoede pogingen de fascisten in te pakken. De man in de spotlights zweet en lacht, hij danst onhandig bij een kitscherig lied en verontschuldigt zich allercharmantst voor alles wat er tijdens het optreden misgaat, en daarbij kijkt hij tersluiks naarboven, naar de cabine van de technici van theater De Brakke Grond. Daar bevindt zich kennelijk ook de luitenant, de gevreesde opdrachtgever.

Op zulke momenten voel je Paulino's angst, en het mooie is dat deze opportunistische schijtlijster toch steeds sympathieker wordt, omdat hij zo ontwapenend echt is en zo oneindig ingewikkeld in zijn voornemen de moeilijke tijden simpelweg te doorstaan.