Zicht op grote beleggers blijft troebel

ROTTERDAM, 17 OKT. Vier jaar na de inwerkingtreding van de Wet Melding Zeggenschap van grote aandelenbelangen in beursgenoteerde bedrijven ligt de WMZ weer in het parlement voor een ingrijpende opknapbeurt. Minister Zalm van Financiën en de Tweede Kamer, die de afgelopen weken over de wet hebben gepraat, hebben echter weinig verbetering bereikt.

De Wet Melding Zeggenschap moest de doorzichtigheid van de Nederlandse financiële markten verbeteren. In Nederland bestonden, in tegenstelling tot landen als de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, geen regels over de publieke melding van grote aandelenpakketten waarmee beleggers invloed kunnen uitoefenen op het beleid van bedrijven. Zij hebben ook invloed op de beurskoers, als zij bijvoorbeeld hun pakket willen afstoten. In Nederland bleef deze informatie tot 1992 beperkt tot een klein groepje insiders in de financiële wereld.

De Wet Melding Zeggenschap moest hierin inzicht bieden. Als een belegger meer dan 5 procent van de aandelen in handen kreeg, moest hij dat melden bij het betrokken bedrijf, die deze melding vervolgens moet doorgeven aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE), de waakhond van de financiële markten. Ook bij het doorbreken van verschillende andere eigendomsgrenzen (10, 25, 33,3 en 66,6 procent) moet een melding volgen. Het bedrijf moet de melding bovendien publiceren, zodat het publiek van de informatie kennis kan nemen.

De wet werd in 1992 ingevoerd en al rap bleken de verborgen manco's. Een van de meest pijnlijke gebreken was de regel dat beleggers hun meldingen alleen hoeven te doen als zij zelf effecten hebben gekocht of verkocht. Een logische regel, zo leek het. Waarom zou de overheid iemand dwingen tot actie als hij zelf niets heeft gedaan? De regel had echter een perverse uitwerking op de lijst van meldingen. Doordat bedrijven van tijd tot tijd hun aandelenkapitaal uitbreiden (door grote en kleine uitgiften van aandelen, uitoefening van opties op aandelen door medewerkers en managers) blijven gemelde belangen op de lijst staan, terwijl het werkelijke aandelenbelang al (ver) onder de 5 procent is gezakt. Deze zogeheten bestandsvervuiling vertroebelde het beeld op de grote aandeelhouders in plaats van de beoogde doorzichtigheid.

Twee andere belangrijke manco's waren het ontbreken van een openbaar register en het opvallend geringe aantal meldingen door buitenlandse beleggers.

Ongeveer 40 procent van de Nederlandse aandelen is in handen van buitenlandse beleggers, maar meldingen van grote aandelenpakketten door deze groep zijn schaars. De reden daarvoor is dat buitenlandse vermogensbeheerders, de belangrijkste groep aandeelhouders, hun Nederlandse aandelen over verschillende beleggingsfondsen spreiden. Elk individueel fonds komt meestal niet uit boven de meldingsdrempel van 5 procent, terwijl het gezamenlijke belang niet gemeld hoeft te worden.

Een praktijkvoorbeeld. De afgelopen week werd een groot pakket aandelen in het relatief kleine beursfonds Nagron herplaatst: 53 procent werd doorverkocht aan beleggers, maar slechts ruim 15 procent dook weer op uit nieuwe meldingen. Een deel van het verkochte pakket is terecht gekomen bij een of meer Angelsaksische vermogensbeheerders zonder meldingsplicht.

De verschillende manco's die de STE jaren geleden al heeft gesignaleerd zijn niet verholpen. De bestandsvervuiling blijft bestaan. Minister Zalm wil bedrijven niet op extra kosten jagen.

Terwijl de oplossingen simpel en niet duur zijn. Verplicht bedrijven om hun grote aandeelhouders elk kwartaal een overzichtje te sturen van het aantal uitstaande aandelen en verplicht elke belegger na te rekenen of hij onder een meldingsgrens (van bijvoorbeeld 5 procent) komt.

En dat te melden als het gebeurd is. Buitenlandse vermogensbeheerders voorschrijven dat zij hun totale pakket melden is evenmin een excessieve verplichting. De Eerste Kamer moet nog naar de wet kijken.