WW-uitkeringen hoger dan begroot

DEN HAAG, 17 OKT. Ondanks scherpere toelatingseisen kosten WW-uitkeringen de staat jaarlijks 170 miljoen meer dan was begroot. Dat blijkt uit een brief van staatssecretaris De Grave (Sociale Zaken) aan de Tweede Kamer.

Het regeerakkoord gaat uit van een jaarlijkse besparing van 525 miljoen gulden vanaf 2001 door de drempel te verhogen van de werkloosheidsuitkering. De Grave erkent dat deze schatting op basis van achterhaalde gegevens is gedaan. Nu blijken meer oudere mensen in de WW te komen dan vooraf werd verondersteld. Deze mensen maken een grotere aanspraak op de WW, omdat deze uitkering is gerelateerd aan de duur van het arbeidsverleden.

De strengere toelatingsvoorwaarden pakken vooral voor jongeren nadelig uit. De Grave schrijft dat van de werkloze jongeren onder de 23 jaar “slechts” 28,7 procent recht had op een WW-uitkering. Dit komt omdat de strengere eisen draaien om het arbeidsverleden. Oorspronkelijk gold voor werknemers die hun baan kwijtraakten een WW-uitkering van een half jaar en van 70 procent van het laatstverdiende loon, als ze van de laatste 52 weken er ten minste 26 hadden gewerkt en in de laatste vijf jaar ten minste drie.

Zowel de 'wekeneis' als de 'jareneis' is aangescherpt: de werkloze moet van de laatste 39 weken er ten minste 26 moet hebben gewerkt en ten minste vier van de laatste vijf jaren een baan hebben gehad. Bovendien zijn beide eisen gecombineerd; wie alleen aan de eerste eis voldoet krijgt 70 procent van het minimumloon.

Jongeren en andere werknemers met een kort arbeidsverleden komen door de strengere eisen niet meer voor een WW-uitkering in aanmerking, maar zullen vaker in de bijstand terechtkomen.

Staatssecretaris De Grave heeft inmiddels rekening gehouden met het 'besparingsverlies' en voor de komende jaren de begrote kosten voor de sociale zekerheid aangepast. Voor 72 procent van de nieuwe WW'ers hebben de verscherpte eisen geen gevolgen, zo schrijft staatssecretaris De Grave aan de Kamer.