Van Aartsen boekt redelijk succes in visserijdebat

ROTTERDAM, 17 OKT. De licht wanhopige vraag die tijdens de visserijraad in Luxemburg afgelopen maandag centraal stond: of maar gewoon moet worden afgewacht wat er gebeuren gaat of dat de ontwikkelingen misschien moeten worden gestuurd. De Nederlandse minister Van Aartsen vond haar 'van een demagogische schoonheid'. Natuurlijk vindt de bewindsman dat er iets moet gebeuren. De vraag is alleen wat, en daarover heerst diepe verdeeldheid.

Ongeveer tegelijk met het arriveren van de Beaujolais Primeur breekt binnen de Unie steevast het gekrakeel los over de hoeveelheid vis die het jaar daarna mag worden gevangen. Daartoe worden - op grond van steeds somberder wetenschappelijke gegevens - twee instrumenten gehanteerd. Allereerst gaat het om de bepaling van quota per vissoort (TAC's) die voor elk land worden vastgesteld. Daarnaast kennen de lidstaten Meerjarige Oriëntatie Programma's (MOP's), waarin feitelijk een structurele verkleining van de Europese vissersvloot wordt voorzien.

“Het vertrekpunt voor het beleid moet liggen in de TAC's. Het MOP is daarbij een middel en geen doel”, meent Van Aartsen en hij gaf daar maandag zijn argumenten voor.

Er zijn inmiddels drie MOP's geweest en de raad debatteerde over het vierde. Elk land kent zijn eigen MOP, waarin de doelstellingen over meer jaren voor inkrimping van de vissersvloot zijn vastgelegd. Dat inkrimpen gaat in termen van tonnages en motorvermogens per schip, maar ook de grootte van de gehele vloot wordt tegen het licht gehouden. Daarmee moet een 'duurzaam evenwicht' worden bereikt tussen de vlootcapaciteit en de vis die er nog te vangen valt. De looptijd van het derde MOP was van '92 tot '96. Het gaat soms om reducties tot veertig procent.

In het verslag dat de Europese Commissie heeft gemaakt over het derde MOP wordt Nederland stevig over de knie gelegd. “Nederland heeft de doelstellingen niet gehaald, noch wat betreft de reductie van het motorvermogen, noch van het tonnage.”

“Dat kan voor niemand een verrassing zijn”, zei Van Aartsen maandag op voorhand in de raad. “Wij hebben ons onthouden bij de vaststelling van de reductie-percentages en tegen het derde MOP gestemd, omdat we toen al wisten dat we nauwelijks uit de voeten konden met het voorziene instrumentarium, vooral niet met dat voor het saneren van schepen.” Dat saneren hoeft ook niet, heeft Van Aartsen steeds betoogd, want het gaat er uiteindelijk om dat er minder vis wordt gevangen, zodat de geslonken bestanden in zee zich kunnen herstellen. “Wij zijn echter niet zover van die doelen verwijderd als in het rapport wordt gesuggereerd”, aldus Van Aartsen.

In de eerste plaats heeft de bewindsman kritiek op de manier van rekenen van visserij-commissaris Bonino's ambtelijk apparaat. “Bruto tonnen en registertonnen zijn als appelen en peren bij elkaar opgeteld. Als die allemaal tot bruto registertonnen worden teruggerekend zal voor wat de trawlers betreft blijken dat de doelstelling wel degelijk is gerealiseerd,” aldus Van Aartsen.

Wat hem echter zwaarder op de maag ligt, is dat in Brussel net wordt gedaan alsof Nederland geen andere maatregelen heeft getroffen waarmee het uiteindelijke resultaat - de vangstreductie - wordt gehaald. Zo is de lengte van de boomkor verkort. Kotters vissen met bodemtrawlnetten, aan weerszijden van het schip, die worden opengehouden door een boom. Door verkorting daarvan bestrijkt het net een geringer deel van de zeebodem. “Die verkorting heeft een structureel effect op de vangstcapaciteit, maar ik zie dat nergens in de rapportage terug,” aldus Van Aartsen, die op een stuk wees waarin dat wel wordt voorgerekend. Dat stuk is bovendien al eerder overlegd aan de Commissie.

Belangrijker nog dan de verkorting van de boomkor is het Nederlandse systeem van 'zeedagen'. Elk schip heeft een aantal structurele zeedagen dat het mag gaan vissen. Naast die basisdagen is er nog een aantal flexibele dagen waarop een schip al dan niet uitvaart, afhankelijk van het quotum dat voor dat jaar geldt. Dat systeem werkt prima, te meer daar de controle wordt uitgevoerd door visserij-groepen. Er is op die manier sprake van strakke 'sociale controle', omdat de ene visser niet toestaat dat de andere - zijn concurrent - langer dan het hem toegestane aantal dagen uit vissen gaat. Bovendien zijn de boetes verre van mals. Commissaris Bonino is trouwens in Nederland geweest om dat systeem van nabij gade te slaan.

Kortom, Van Aartsen wil dat de resultaten die met boomkor en zeedagen zijn behaald worden verdisconteerd in de rapportage over MOP III, voordat hij zich - tussen nu en de jaarwisseling - uitspreekt over MOP IV.

De bewindsman vindt in de dagelijkse praktijk van de visserman ook alle aanleiding terughoudend te zijn in het stimuleren van sloop van schepen, zoals Brussel graag ziet. “Toen duidelijk was dat de quota voor dit jaar aanzienlijk lager uitpakten dan in 1995, ontstond grote onrust onder de vissers. De toekomst werd somber ingezien. Velen vreesden dat het einde in zicht was. Direct daarop heb ik een herstructureringsprogramma vastgesteld om op de problemen te reageren.” Van Aartsen doelt op een bedrag van 23 miljoen gulden dat hij heeft uitgetrokken voor eventuele sanering, aangevuld tot 36 miljoen gulden door Brussel. “Maar”, aldus de minister maandag in de raad, “wat is nu de feitelijke situatie in Nederland? De prijzen van tong en schol zijn gestegen, net als die van schar en bot. De vissers hebben onderling afgesproken de vangst nog meer over het gehele jaar te spreiden. En zij hebben vrijwillig afgesproken het aantal weken dat zij aan de wal blijven te verlengen van vier naar negen. Daarnaast hebben ze de lengte van de visreis ingekort. In plaats van vijf dagen op zee te zijn, komen de vissers vaak al na vier dagen terug in de haven. Per saldo zijn er dit jaar - tot nu toe - 20 procent minder visdagen gemaakt dan vorig jaar om dezelfde tijd.”

Van Aartsen: “En wat is daarvan nu het effect geweest? Ondanks de lagere quota wordt er ongeveer evenveel verdiend, doordat enerzijds de inkomsten hoger zijn dan vorig jaar en anderzijds de uitgaven lager, door de kortere reizen.”

De bewindsman heeft zijn collega's laten weten dat onder deze omstandigheden, verlaging van de quota en het openen van een behoorlijk gevulde saneringspot, niet kan worden verwacht dat veel vissers nu een baantje op de wal gaan zoeken. “Wat ook blijkt, is dat met een beheerste visserij, zelfs bij lage quota, in het algemeen rendabel kan worden gevist.”

Geen wonder dat Van Aartsen niks voelt voor maatregelen uit Brussel, die geen rekening houden met deze specifieke Nederlandse ontwikkeling. Er zou volgens hem sprake zijn van forse kapitaalsvernietiging, als schepen zouden moeten worden gesloopt, terwijl vissers daarmee ondanks alle quoteringen behoorlijk hun brood kunnen verdienen. Een vierde MOP moet volgens Van Aartsen dan ook worden gebaseerd “op een economische analyse van de verschillende vloten”.

Hoewel ambtenaren in Brussel maandag, na afloop van de raad suggereerden dat de Commissie Van Aartsens pleidooi verre van zich had geworpen, blijkt inmiddels uit de stukken dat hij redelijk succes heeft gehad, want na afloop van het beraad zette de voorzitter op papier dat maatregelen die op nationaal niveau zijn getroffen als serieuze “alternatieve of complementaire elementen” moeten worden gezien.