Klassieker 'Häxan' van nieuwe muziek voorzien; Heksen en duivels stelen de show op filmfestival Gent

Film: Häxan/Witchcraft through the Ages (1922) van Benjamin Christensen; met livemuziek van Art Zoyd. Gezien: 16/10 Gent, Kunstencentrum Vooruit. Herhalingen t/m januari in België en Noord-Frankrijk.

De film begint als een brave geschiedenisles, met plaatjes uit middeleeuwse handschriften die met behulp van een aanwijsstok worden verduidelijkt. Dan komt plotseling een oude vrouw in beeld die rondscharrelt in een groteske kelder. Dit is een heks, meldt een tussentitel, waarna we zien hoe zij een dodemanshand, vers van de galg, inspecteert. Een van de vingers breekt af, en het vrouwtje moppert dat ze met rottend vlees niet kan werken.

De toon voor Häxan, het zwijgende meesterwerk van de Deense regisseur Benjamin Christensen (1879-1959), is na een paar minuten al gezet. In de vijf kwartier die volgen, wisselen de gruwelscènes elkaar in een hoog tempo af: een levende pad wordt samen met een slang in kokend water gegooid, inquisiteurs folteren een onschuldige oude vrouw met een buitenmodel nijptang, de duivel bijt tijdens een heksensabbat in de schedel van een - ongedoopt - kind. Geen wonder dat de film na de première in 1922 in vele landen in de ban werd gedaan (al was dat ook wegens het vele naakt).

Häxan, beter bekend als Witchcraft through the Ages, was gisteren een van de hoogtepunten van het 23ste filmfestival van Vlaanderen. In het Gentse Kunstencentrum Vooruit, een concertzaal met de sfeer van een catacombe, werd Christensens pseudo-documentaire over hekserij in heden en verleden vertoond met een nieuwe score van Art Zoyd. De moderne en soms bizarre klanken van het Franse kwartet - zenuwachtige synthesizers, een elektrische cello, en af en toe een echoënde doodsreutel op de achtergrond - sloten goed aan bij de fantasmagorische beelden, maar het was de film die de show stal.

Gebruikmakend van snelle montage, overvloeiers, ingenieuze trucages en stop-motion-technieken om levenloze dingen te laten bewegen, reconstrueert Christensen de beleving van hekserij in de Middeleeuwen. Hij laat zien hoe monniken en wellustige vrouwen meenden bezocht te worden door de duivel (een rol van hemzelf), en hoe de angst voor het boze oog kon leiden tot een lawine van heksenprocessen.

Vooral in de weergave van de heksensabbat, in de film een verzinsel van een murwgemartelde vrouw, leeft hij zich uit. We zien eerst hoe de heksen op bezemstelen door de lucht vliegen, vervolgens hoe ze temidden van monsterlijke wezens kruizen vertrappen en kinderen slachten, en dan hoe ze hun verbond met de duivel bezegelen door hem op de aars te kussen.

Tegenwoordig wordt Häxan beschouwd als een vroege horrorfilm, maar daar zou Christensen niet gelukkig mee zijn. Hij wilde de hekserij zowel verbeelden als verklaren. In de epiloog van zijn film probeert hij door middel van parallellen met de moderne tijd aan te tonen dat de heksen van vroeger eigenlijk zenuwpatiënten waren: beelden van een slaapwandelaarster uit de moderne tijd worden naast die van een 'door de duivel bezeten' non gezet, en de 'heks' die een christusbeeld van het altaar steelt wordt vergeleken met de aan 'hysterie' lijdende vrouw die een winkeldiefstal pleegt. Verwarde vrouwen worden nu niet langer op de brandstapel gezet, maar onder de koude douche; ze dromen niet meer van de duivel, maar van de dokter.

Dit laatste wordt nog eens onderstreept doordat Christensen zelf zowel de rol van de duivel als die van de dokter speelt. Het is een voorbeeld van het gevoel voor humor dat van Häxan meer maakt dan een reeks indrukwekkende visioenen in de traditie van Jeroen Bosch en de Franse symbolisten. Zoals ook Christensens schoolmeesterachtige tussentitels in de ik-vorm even geestig als (post)modern aandoen. “Mijn hoofdrolspeelster wilde een van die middeleeuwse folteringen wel eens uitproberen”, meldt hij out of the blue terwijl we een korte flits zien van een lachende vrouw in de duimschroeven. “Ik zal maar niet zeggen wat voor ontboezemingen ik binnen een minuut uit haar kreeg.”