Keramiek Betty Woodman uitbundig

Tentoonstelling: Betty Woodman, Vazen en tekeningen. Stedelijk Museum, Amsterdam. T/m 10/11. Dag 11-17. Catalogus ƒ 29,50.

Het is in de geschiedenis van het Stedelijk Museum waarschijnlijk niet vaak gebeurd dat één enkele keramist in de grote zaal op de eerste verdieping, direct boven de trap, exposeert. Die plek is, terecht of niet, het domein van de echte kunstenaars, beeldhouwers en schilders. Keramisten komen meestal niet verder dan de gangen.

Behalve een eerbetoon aan de Amerikaanse Betty Woodman (1930) speelden in dit geval ook praktische overwegingen een rol. Zeven forse tekeningen, een groter aantal flink uit de kluiten gewassen vazen - soms met z'n drieën tot een triptiek gerangschikt - en tenslotte een paar 'installaties', bestaande uit op de grond geplaatste objecten en tegen de muur opgehangen keramische fragmenten, komen pas tot hun recht in die ene grote zaal, de Erezaal.

De solo-tentoonstelling laat werk zien dat dateert uit de laatste twee jaren en dat deels in Italië, deels in New York werd gemaakt. De enige constante in dit aardewerk dat je met zijn felle kleuren tegemoet spettert, is een vaasvorm, meestal een langgerekte kruik, de verre echo van stokoude, mediterrane vervoermiddelen voor olijfolie, wijn of water.

De Woodman-versie heeft, zoals dat hoort, iets wat op een oor lijkt en iets wat in de verte aan een tuit doet denken. Maar bij het oor, uitgegroeid tot een eigenzinnige uitstulping, ontbreekt een opening en de tuit; ergens op halverhoogte, is eerder een soort vogelbek, gereed om een worm op te pikken. Morsvrij schenken is niet aan de orde.

Deze nauwelijks functioneel te noemen objecten beschildert de keramiste met een overdaad aan niet te traceren patronen die zelden de omtrekken van het voorwerp volgen, maar er juist dwars tegenin gaan en ongeremd in elkaar overlopen. Forse verfstreken en krachtige stippels, strepen en cirkels versterken het snelle, heftige karakter van de versieringen.

Daarom is het opmerkelijk dat Woodman sommige van haar vazen de titel 'stilleven' gaf, een benaming die doet denken aan het bezonken, precies weergegeven beeld van een zilveren schotel, een glas, een brood en wat vruchten, met grote zorgvuldigheid uitgekozen en gearrangeerd op een deftig glanzend tafellaken. In geen enkel opzicht heeft Betty Woodmans keramiek iets met zo'n ingehouden intimiteit te maken. Dit oeuvre is intuïtief, vrolijk, ongecompliceerd en, vooral, zeer nadrukkelijk aanwezig.

Het kan niet anders of Woodmans inspiratie wortelt in het maniërisme, de stijl uit het Italië van de zestiende eeuw. Kunstenaars lieten destijds het renaissancistische ideaal van harmonie in kleur en proportie achter zich. De artistieke nadruk verschoof naar het grillige, nerveuze en bizarre. Voor die maniëristische toeschrijving pleit bijvoorbeeld het rijzige trio vazen in stralend rood, geel en groen dat de titel Beccafumi draagt, naar de vroeg-maniëristische schilder uit Siena.

Woodmans voorliefde voor de kunstmatige tuinarchitectuur uit dezelfde periode, met grotten, cascades, illusionistische trappen en bordessen verraadt zich in de zogenaamde Balustradevazen, gecompliceerde, tamelijk bombastische bouwsels volgens het principe van een console met daarop een vaas. Maar zo'n enkele vaas, hoe ingewikkeld van vorm ook, is voor Woodmans verbeelding te tam. Een papegaai wringt zich dus eveneens op de console, visachtige silhouetten en vreemde gedaantes tuimelen eromheen.

Overheersend in deze keramiek is het toneelmatige en theatrale aspect. De balustradevazen zijn het meest geschikt om de toegang te bewaken van een sprookjeskasteel waar blauwbaarden of schone slaapsters verblijven; de losse vazen kunnen als rekwisieten, de grote installaties en de tekeningen als achterdoek en decor fungeren voor een fantastische opera met verdwijntrucs en verkleedpartijen.

Het overzicht van Woodmans recente keramiek met al die vorm- en kleurhartstocht kent gelukkig ook een paar adempauzes, zowel bij de tekeningen als bij de installaties. Op de tekeningen zijn naast in onderdelen uiteengevallen vaatwerk, de opengelaten contouren van een eenvoudige, blanke vaas afgebeeld. En bij de installaties, op het eerste gezicht voornamelijk vrolijke keukens van intact en 'gebroken' aardewerk, zijn steeds een paar vlakke plaatjes keramiek zó geordend dat ze een lege plek op de wand omsluiten.

Die tussenruimte of contravorm suggereert ook hier de aanwezigheid van een puur klassieke kruik, een Grieks vat voor het mengen van water en wijn. Die niet mis te verstane hulde aan traditioneel en harmonisch gebruiksgoed verleent aan het in terracotta uitgevoerde Vrouwen aan de fontein plotseling een hartroerende ernst.