Jonge tenor Roberto Alagna verovert met zelfstudie sterstatus; Van pizzeria naar operapodium

Het levensverhaal van zanger Roberto Alagna vormt op zichzelf bijna een opera-libretto. De 'vierde tenor' wordt het talent, geroemd om zijn stralende hoge c, wel genoemd. “Wie zijn die andere drie dan?”

EMI Classics: La Bohème, cd 5 56120 2; Don Carlos, cd 5 56152 2.

BRUSSEL, 17 OKT. In een gang van de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel klatert een lach. Tenor Roberto Alagna (33) is in aantocht in verband met een persconferentie, belegd door zijn platenmaatschappij. Hoewel er meer beroemdheden aanwezig zijn - bariton José van Dam, sopraan Leontina Vaduva, dirigent Antonio Pappano - richten alle schijnwerpers zich op Alagna en de beeldschone jonge vrouw aan zijn zij: echtgenote Angela Gheorghiu, zelf een rijzende operaster.

EMI Classics heeft, na een cd met aria's, nu voor het eerst twee complete opera's met Roberto Alagna op cd uitgebracht: Don Carlos van Verdi en La Bohème van Puccini. Dirigent is Antonio Pappano, muzikaal directeur van de Nationale Opera in Brussel, de bespeler van de Muntschouwburg. La Bohème is in de studio opgenomen, Don Carlos is een registratie van een voorstelling van regisseur Luc Bondy, die al in Parijs en Londen werd uitgevoerd en tot en met 25 oktober in Brussel is te zien, zij het nu zonder Alagna. Onder de zangers op de cd's is ook de Amerikaanse bariton Thomas Hampson, die vorig jaar zoveel indruk maakte op het Mahler Feest in Amsterdam.

Alagna heeft nog nooit in Nederland gezongen, hij heeft ook nog maar een betrekkelijk korte carrière achter de rug. Waar hij ook komt wordt hij geroemd om zijn stralende hoge c, zijn natuurlijke manier van zingen en acteren en zijn aantrekkelijke, slanke verschijning die hem nog eens extra geschikt maakt voor het toneel. Al wordt hem soms enig gebrek aan volume in de lagere registers aangewreven. Desondanks is Alagna al 'de vierde tenor' genoemd, een beetje voorbarig want op de staat van dienst van Carreras, Domingo en Pavarotti kan hij nog lang niet bogen; dat beseft hij zelf heel goed.

“Wie zijn die andere drie dan,” grapt hij dan ook maar als hij daar later, tijdens een gesprek in zijn hotelkamer, aan wordt herinnerd en weer klinkt die klaterende lach. “Maar even serieus, ik bewonder ze en heb veel van ze geleerd. Maar ze zijn van een andere generatie, en daarom gedoemd met z'n drieën te blijven. Ik ken veel jonge tenoren die heel goed zijn. Daar word ik liever mee vergeleken.”

Alagna's levensverhaal vormt op zichzelf bijna een opera-libretto. Hij werd geboren in Parijs als zoon van een Siciliaanse gastarbeider. “Zo'n typisch Zuideuropese artiestenfamilie met generaties acrobaten, goochelaars, mandolinespelers en zangers.” Roberto kwam al jong aan de kost door chansons en Napolitaanse liederen te zingen in een Parijse pizzeria en later in een club. In die club werd hij ontdekt door een zekere Juan Ruiz, een oude Cubaanse musicus en operaliefhebber. Deze raakte zo onder de indruk van de stem van de jonge zanger dat hij hem onder zijn hoede nam en hem stimuleerde opera te gaan zingen. Hij draaide oude platen van onder anderen Benjamino Gigli en maakte Alagna bekend met Frans en Italiaans operarepertoire.

Echt les heeft Alagna volgens eigen zeggen nooit gehad, en het conservatorium heeft hij nooit bezocht. “Dat wil niet zeggen dat het zingen me zomaar is komen aanwaaien. In het begin raadde iedereen me zelfs af opera te gaan doen. Tien jaar lang heb ik als een gek gewerkt. Ik nam risico's die ik op het conservatorium nooit had mogen nemen. Ik zong dagen achter elkaar tien uur per dag. Ik studeerde door mee te zingen met platen van andere zangers en dat op te nemen. Dat luisterde ik dan weer af om mijn stem met de andere te vergelijken.”

In oktober 1988 deed hij mee aan het internationale Pavarotti-concours in Philadelphia en won de eerste prijs. Een maand later kreeg hij in Engeland zijn eerste rol, Alfredo in La Traviata met de Glyndebourne Touring Opera. Alagna werd bijna unaniem toegejuicht door de critici en werd onmiddellijk in andere operahuizen gecontracteerd. In 1990 debuteerde hij met La Traviata onder Riccardo Muti in de Scala in Milaan. Van dat optreden zijn een cd en een video gemaakt. In 1992 zong hij de rol van Roberto in Puccini's La Bohème, met als tegenspeelster de Roemeense sopraan Angela Gheorghiu. In korte tijd zong hij grote rollen in onder meer Don Carlos, Rigoletto, Faust (van Gounod en Boito), Roméo et Juliette, Lucia di Lammermoor en L'Elisir d'Amore.

In 1994 sloeg het noodlot toe toen Alagna's vrouw, met wie hij een dochtertje had, aan een hersentumor overleed. Inmiddels is hij hertrouwd met de talentvolle Gheorghiu van wie hij onafscheidelijk is. Als het even kan treden ze samen op en ze hebben ook een cd gemaakt met opera-duetten. Alagna heeft in korte tijd veel zware rollen gezongen en is nog veel meer van plan. De vraag rijst hoelang hij dit volhoudt. Hij zou niet de eerste zanger zijn die voortijdig opbrandde. Zelf zegt hij: “Je stem slijt niet sneller als je veel zingt. Wat slopend is, zijn zenuwen. Dan ga je verkrampt zingen. Maar als je een normaal, regulier leven leidt en gelukkig bent dan raak je je stem niet zo makkelijk kwijt. Zingen is een soort verslaving voor me geworden. Thuis zing ik ook samen met Angela, hoewel zij een academischer benadering heeft. Ik doe waar ik op een bepaald moment zin in heb.”

Alagna heeft, wat hij noemt, 'een normale, jonge lyrische tenor'. “Ik zoek naar eenvoud, oprechtheid en probeer heel veel te geven. Ik zing wat de componist heeft geschreven, zonder portamento, en zonder extra noten, of andere effecten aan de muziek toe te voegen.” Zijn acteertalent heeft hij van huis uit, ook hierin heeft hij nooit les gehad.

“Wel heb ik altijd veel naar films gekeken. Ik probeer me van te voren zoveel mogelijk in mijn personages in te leven, maar niet overdreven veel. Don Carlos staat in de opera heel ver van de historische figuur, of van de Don Carlos van Schiller. Het heeft dus geen zin me te veel in de geschiedenis te verdiepen. Wat ik belangrijk vind is de psychologie van de componist, wat hij heeft bedoeld toen hij de muziek schreef. Vervolgens stel ik me voor wat ik in de plaats van mijn personage zou hebben gedaan.”

In de nabije toekomst gaat Alagna een cd maken met opera-aria's, waarbij hij op de piano zal worden begeleid door Antonio Pappano. Ook zijn er plannen om samen met Angela Gheorghiu onder leiding van Pappano Puccini's La Rondine en Il Trittico op te nemen. Maar eerst gaat hij naar Venetië om een cd te maken met twee jongere broers op de gitaar. “Ze zijn eigenlijk beeldhouwer en schilder, maar het zijn ook fantastische musici. We beginnen met melodieën uit mijn jeugd, Siciliaanse en Napolitaanse liederen, en eindigen met opera-aria's. Het wordt een eerbetoon aan al die familieleden die altijd in de anonimiteit zijn gebleven, omdat ze net niet goed genoeg waren, of geen kansen hebben gehad.”