In Liefde Bloeyende

J.H. de Veer (? - ?)

DE VLIET

Als 't kille zonnelicht langs 't ijsvlak strijkt

Hoor je je grijze grootmoeder zacht knagen

En als je ziet hoe zij op winterpenen lijkt

Dan zwelgen oog en hart in welbehagen.

Wat is een mens alleen toch gauw weer kind

Een kind met in zijn zak zoveel rozijnen

Dat lichte-dronken wordt je ziel, die mint...

De laatste boterbloemen gaan verdwijnen.

Nu ben je boos. Wat doet die dissonant

Daar aan de lijn met pasgewassen sokken?

's Winters ligt je grootmoeder aan het strand

En in de zomer zijn er chocoladevlokken.

Hij moet van omtrent de eeuwwisseling zijn, deze J.H. de Veer, een ietwat late Tachtiger. Wanneer hij geboren is en gestorven, er valt niets over te vinden. Er zijn wel meer van die onduidelijke dichters: ze publiceren een bundel en verdwijnen dan in het niets. Soms hebben ze die ene bundel uit eigen zak betaald, een andere keer kwam het tot publicatie omdat de dichter de aanstaande schoonzoon van de uitgever was of de minnaar van zijn vrouw. Slechts zelden betreft het echt bijzondere of curieuze gedichten - gedichten waarbij we ons afvragen waarom het bij die ene bundel bleef. De dichter kan jong gestorven zijn of krankzinnig zijn geworden. Een dankbaar terrein voor speculaties, juist door het ontbreken van biografische gegevens. Deze De Veer lijkt me iemand die rijp was voor het gekkenhuis.

't Is een beetje een absurd gedicht, nietwaar? Een zacht knagende (in plaats van zacht klagende) grootmoeder die op winterpenen lijkt, een dissonant aan een lijn met pasgewassen sokken, chocoladevlokken in de zomer, dit is wat je noemt Hollands surrealisme, polderdada.

Wacht! Ho! Oplettende lezertjes (zijn die er nog?) zullen dit gedicht intussen hebben herkend als een gedicht van me zelf - uw dienaar en ondergetekende. Is het niet afkomstig uit de bundel Tutti-frutti van 1972? Staat het niet ook in Alle gedichten tot gisteren, bladzijde 159?

Inderdaad.

Toch is het van J.H. de Veer.

Alle regels van dit gedicht staan in diens bundel “De Vliet”. Zo heet de bundel, met dubbele aanhalingstekens en al: “De Vliet”. Geen uitgaafje in eigen beheer, nee, op geschept papier en typografisch redelijk vertroeteld. De bundel verscheen bij W. Versluys, jawel, de uitgever van Frederik van Eeden en Herman Gorter. Wat de heer W. Versluys met J.H. de Veer had weet ik niet. Als je over een dichter niets kunt vinden is zelfs de suggestie gerechtvaardigd dat het een pseudoniem is van de uitgever zelf. Of van zijn echtgenote.

Een dichter die is geboren noch gestorven, het lijkt aannemelijk dat hij nooit heeft bestaan. Maar het boek is er. Het dateert van 1901.

Het moet me destijds meteen al hebben geboeid door zijn ondertitel: 50 sonnetten in spreektaal. En ik herinner me dat ik, toen ik de vijftig gedichten had gelezen, onmiddellijk wist wat ik er mee moest doen: er één gedicht van maken. Dat was ik aan iemand die dichten het melken van de koe 'Verbeelding' noemde verplicht. Ik gaf mijn indikking de titel mee van de bundel. Zonder aanhalingstekens. Het gedicht was immers in zijn geheel een aanhaling.

De laatste boterbloemen gaan verdwijnen. De eerste blauwe juffers zie 'k verschijnen Op plombladbloem en spitse pijlkruidspies schreef J.H. de Veer in het gedicht Weelde, dat te lezen valt in de bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten. En in een ander gedicht (De motorboot) schreef hij:

Nu ben ik boos. Wat doet die dissonant In 't Hollands landschap, in de mooie zomer? Zo'n aakligheid! zo'n nieuwerwetse stomer! Zo'n motorschuit! enfin, zo werd er telkens een regel uit zijn verband gerukt. Er ontstond een gedicht dat woord voor woord was geschreven door J.H. de Veer en dat hij toch nooit zó had kunnen schrijven. Ik had een houten huis afgebroken en van de planken een nieuw houten huis getimmerd. Het leek sprekend op het oude en toch leek het er niet op.

Had ik plagiaat gepleegd? O zeker. En ook weer niet. 't Was duidelijk plagiaat in die zin dat ik zinnen van een andere schrijver had gestolen. Maar was 't een miezerige diefstal, waarbij o zo subtiel vondsten en wendingen van grote, liefst buitenlandse dichters waren weggemoffeld tussen eigen slappe soep, in de hoop dat het geheel nog enige indruk zou maken? Dat toch zeker niet. Ik vrees dat ik opvallende woorden als winterpenen, pasgewassen sokken en chocoladevlokken er juist zelf in heb ondergebracht opdat de lezer zich argwanend zou afvragen: wat is hier aan de hand?

Geen oplettend lezertje vroeg zich iets af. Het impressionistische en Tachtigachtige 'lichte-dronken' bracht niemand op een idee. Het optreden van J.H. de Veer in de bloemlezing ook niet. De titel niet. De inhoud van De Vliet al helemaal niet. Terwijl het toch volstrekte kolder is wat er in staat. Volkomen wartaal.

Met wat goeie wil zou je het een collage kunnen noemen. Met nog meer goeie wil een klein eerbetoon aan een kortstondige dwaalster. 't Was in feite niet meer dan een letterkundig, weinig subtiel grapje.

Toch heeft dit grapje me een les geleerd. En wel dat je als dichter heel ver kunt gaan in het verkopen van kletskoek, zonder dat iemand je op het matje roept.