In Dole's wanhoopsoffensief is tv-debat krachteloos wapen

Over drie weken zijn er presidentsverkiezingen in Verenigde Staten. In het tweede en laatste televisiedebat tussen de beide kandidaten, afgelopen nacht, pareerde Bill Clinton vrijwel alle aanvallen van zijn uitdager Bob Dole. Dole had volgens Kees Brants en Philip van Praag jr. maar een kleine kans om met behulp van de tv-debatten zijn achterstand op Clinton in te lopen. En die heeft hij niet gegrepen.

Inhoudelijk, maar saai. En met een zwak uitgevoerde poging tot karaktermoord. Senator Dole probeerde in het tv-debat met president Clinton vannacht nog wel een paar keer 'de mensen in het Witte Huis' die het hoogste ambt bezoedelen aan de kaak te stellen, maar erg overtuigend was het niet. Clinton volstond met de opmerking dat “no attack ever created a job or educated a child”.

De formule van het debat, publieksvragen en een neutrale voorzitter, leidde ertoe dat er nooit doorgevraagd werd. Het debat was daardoor voornamelijk een vraag-en-antwoordspel. Na het eerste debat van een paar weken geleden waren de commentatoren het erover eens: de kandidaten waren wel erg lief voor elkaar. En hoewel driekwart van de Amerikanen toen vond dat Dole het beter had gedaan dan verwacht (wat trouwens meer zegt over de lage verwachting dan over Dole's kwaliteiten) werd Clinton door het publiek als de winnaar gezien.

De laatste week koos Dole, in eerste instantie nog met zichtbare tegenzin, voor een aanval op de persoonlijke levenswandel van de president, de Whitewater-affaire, de FBI-tapes. “Nu begint de campagne van Dole echt”, zei zijn campagne-team voor de zoveelste keer.

Vannacht moest dit culmineren in een georkestreerde aanval ten overstaan van een miljoenenpubliek. Een 'wanhoopsoffensief' hadden diezelfde commentatoren al aangekondigd, maar wel een dat Dole nog een laatste sprankje hoop zou moeten geven om zijn achterstand op de zittende president te verkleinen. Het werd een halfslachtige aanval. Kennelijk gaat Dole liever als honest Bob ten onder, of hij is overtuigd dat negatieve campagnes niet helpen.

Toch zijn negatieve campagnes niet nieuw voor de Republikeinen. In 1988 schilderde de latere president Bush in tv-spots zijn opponent Dukakis af als iemand die veroordeelde verkrachters en moordenaars vrijliet. De Republikeinen, wier campagne vaker een negatieve ondertoon heeft, tamboereren minder op de eigen kwaliteiten dan op het feilen van de tegenstander, het niet nakomen van beloften of, wat kennelijk nog erger is, een liberal te wezen of de belasting te willen verhogen.

Negatieve campagnes zijn niet typisch Amerikaans. Bij Duitse verkiezingen gaat het vaak hard tegen hard en de campagneslogan van de Engelse Conservatieven luidde in 1959 al: 'Life's better with the Conservatives. Don't let Labour ruin it'. De huidige slogan waarmee de Engelse premier Major een op Dole gelijkende achterstand probeert goed te maken past geheel in die lijn: 'New Labour. New Danger'.

In de Nederlandse politieke cultuur lijkt veel minder plaats voor negatieve aanvallen. De kiezers zouden er een hekel aan hebben. Onderzoek naar de tv-spot van de VVD uit 1994, met aanvallen op CDA en PvdA, leek die afkeer te bevestigen.

Het grote probleem van Dole in deze campagne is dat hij tegenover de zittende president een boodschap moet uitdragen dat het tijd is voor een geheel ander beleid, maar dat hij dat programmatisch niet overtuigend kan invullen. Hij tast daarbij zijn eigen geloofwaardigheid aan door zichzelf te overschreeuwen. Dat is gebeurd met zijn plan om de belasting drastisch te verlagen en vannacht bleek dat opnieuw uit zijn stelling dat de VS te maken hebben met “the worst economy in a century”. Clinton kan daar met het nodige zelfvertrouwen tegenover stellen, dat iedereen die denkt dat het in 1992 beter ging maar op Dole moet stemmen.

De grote kracht van Clinton daarbij is dat hij veel beter dan Dole een optimistische boodschap weet over te brengen: de VS zijn een prachtig land, maar de mooiste tijden komen in de volgende eeuw.

De voorbereiding van een debat is essentieel. Kandidaten gaan in retraite om hun kennis van bepaalde zaken te vergroten en te anticiperen op lastige vragen. Dossierkennis hadden beiden duidelijk, al begon Dole tegen het einde in herhaling te vallen. Kandidaten trainen op de glimlach, de ontspannen blik, de one liners, die zich in het geheugen van de kijkers moet griffen.

Dole herhaalde enige malen de belofte “I keep my promises”, terwijl Clinton een woordgrapje uithaalde met Dole's leeftijd: “Not his age is the problem, but the age of his ideas”. Ze haalden het toch niet bij de in eerste instantie betekenisloze, maar o zo tv-genieke “There you go again” van Ronald Reagan, of Bush' “Read my lips”.

Veel is in dit soort debatten van tevoren te oefenen, ook in Nederland is dat allang de praktijk. In de jaren '70 speelde bij de PvdA Marcel van Dam al voor Hans Wiegel en hij kreeg het altijd voor elkaar Den Uyl tot razernij te brengen. En dat moest Den Uyl juist zien te vermijden. De grootste angst bestaat altijd voor een blunder. Zo stelde Ford in 1976 in zijn debat met Carter zonder blikken of blozen dat er geen Sovjet-overheersing was van Oost-Europa.

De verrassing komt soms echter uit de vragen die uit het publiek komen, omdat die onverwachter kunnen zijn dan die van journalisten. Bush had in 1992 zichtbaar moeite met een vraag uit het publiek of de nationale schuld hem ook persoonlijk raakte.

Clinton reageerde vannacht meer ontspannen en ad rem en wist de vragen te gebruiken om de eigen (ingestudeerde) boodschap uit te dragen. Dole had duidelijk moeite met de vraag wat hij ging doen aan het politieke wantrouwen van het publiek en omzeilde tot twee keer toe een vraag over speciale rechten voor minderheidsgroepen.

Minstens zo belangrijk als een goede voorbereiding is inmiddels in de VS de zogeheten 'post-debate strategy'. In de campagnestaf dienen niet alleen opinieonderzoekers, strategen en tekstschrijvers te zitten, van toenemend belang zijn ook de spindoctors, deskundigen die beide partijen inzetten om onmiddellijk na afloop het debat te 'duiden' waar het nu eigenlijk over ging, wie het meeste wist, in het nauw werd gedrongen en wie won.

CNN had er vannacht ook twee, die na afloop mooie dingen over hun eigen kandidaten meldden. Als er al sprake is van effect van tv-debatten dan ontstaat die eerder als gevolg van de interpretatie door 'spindoctors' en mediacommentatoren dan door het eigenlijke debat.

Maar zelfs een gewonnen debat garandeert geen electoraal succes. In 1984 won Mondale volgens opiniepeilingen met overmacht het debat met Reagan, maar het mocht hem verder niet baten.

Over het effect van tv-debatten bestaan trouwens veel mythes. De meest hardnekkige is die dat Kennedy in 1960 door de tv-debatten de verkiezingen won. De onbekende senator kon een groot publiek duidelijk maken wie hij was, waar hij voor stond en wat zijn capaciteiten waren. De veel verkondigde stelling, dat Nixon de verkiezingen verloor doordat hij onder de studiolampen begon te zweten en zijn 'five o'clock shadow' steeds zichtbaarder werd, is niet meer dan een sappige anekdote.

Dole had slechts een kleine kans om met behulp van de twee debatten zijn achterstand op Clinton in te lopen. Hij heeft die kans niet gegrepen. Als de publieke meningsvorming is uitgekristalliseerd - en daar lijkt het bij Dole-Clinton toch sterk op - bevestigen dit soort debatten alleen maar bestaande opvattingen en voorkeuren. Het ziet er naar uit dat we geen spannende laatste weken hoeven te verwachten.