Het gedogen van Beatrix

“Waar blijft toch dat republikeinse Kamerlid die de enig juiste conclusie trekt uit deze voor iedereen beschamende vertoning”, vroeg een briefschrijver zich afgelopen dinsdag in deze krant af naar aanleiding van het 'gedoe' rond koningin Beatrix. Een goede vraag, want bestaan er eigenlijk nog wel republikeinen?

In de Tweede Kamer is tegenwoordig alles en iedereen - zij het onevenwichtig - gerepresenteerd: mannen, vrouwen, hetero's, homo's, autochtonen, allochtonen, maar republikeinen, ho maar. Sterker nog, het koningshuis is wat de Tweede Kamer betreft nog nooit zo onomstreden geweest, zo lijkt het wel.

Bestaan er dan dus toch nog taboes? Tot de folklore van Prinsjesdag behoorde jarenlang het demonstratief wegblijven van de Tweede Kamerleden van de PSP als de koningin in de Ridderzaal de troonrede voorlas. Maar sinds die partij is opgegaan in GroenLinks is het laatste republikeinse geluid in de Tweede Kamer verstomd. Het opheffen van de monarchie staat nog wel in het beginselprogramma van GroenLinks, maar als het aan fractievoorzitter Rosenmöller ligt, verdwijnt dit punt eruit, zo liet hij onlangs weten. “De manier waarop koningin Beatrix een zakelijke invulling geeft aan onze monarchie, is mij liever dan menig republiek”, zei hij.

Zo kan ook het ter discussie stellen van de monarchie worden ondergebracht bij de 'dwalingen' van de jaren zestig. Het afschaffen van de monarchie stond prominent in het actieprogramma 'Tien over rood' van Nieuw Links. Maar het establishment (ook zo'n woord uit die tijd) deed wat het onder dergelijke omstandigheden altijd doet: het kapselde de opstandigen in en maakte hen medeverantwoordelijk. Dus beëindigde Nieuw Links voorman van het eerste uur Han Lammers onlangs zijn loopbaan als commissaris der koningin. De republikein van destijds was inmiddels zo 'close' met het koningshuis geworden, dat hij in 1992 bij de officiële viering van het twaalfeneenhalfjarig ambtsjubileum van konigin Beatrix achter het orgel zat en het Wilhelmus ten gehore bracht.

Nu moet worden gezegd dat in de jaren zestig de discussie over de monarchie vooral een theoretische was, maar wel een met een serieuze ondertoon. In zijn vorig jaar verschenen boek 'Nieuw Babylon in aanbouw' wijst James Kennedy nog eens op de angst die er bij de autoriteiten leefde ten aanzien van het in sommige kringen levende heersende revolutionaire klimaat. Maar ook mensen die dicht bij de Kroon stonden leken het verlies al te hebben genomen. Kennedy citeert de voormalig secretaris van koningin Wilhelmina, Thijs Booy, die in 1967 stelde dat “de geest van de tijd niet meer een geest is die het koningschap favoriseert”.

De politiek kon niet om het vraagstuk heen. Het Parool openbaarde in 1965 een brief van PvdA-fractievoorzitter Nederhorst waarin deze aan een groep partijgenoten schreef dat het koningschap in Nederland “een betwiste zaak” begon te worden. “Radio en televisie verstoren meedogenloos elke illusie en brengen het vorstenhuis op de begane grond met de daaraan verbonden vrije kritiek en openlijke discussie. Op zichzelf acht ik dat een gelukkige zaak, maar wel betekent het mijns inziens het einde van de constitutionele monarchie.” Zijn brief was een antwoord aan PvdA-leden die bij hem hun verontrusting hadden uitgesproken over het voorgenomen huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg. Nederhorst: “Eerlijk gezegd maak ik mij persoonlijk veel meer zorgen over kroonprinses Beatrix wier eigenzinnigheid krachtig in toom zal moeten worden gehouden dan over de heer Von Amsberg.”

Eigenzinnigheid. Welke politicus durft dat woord nu nog in de mond te nemen als het gaat over het staatshoofd? Er zijn de laatste tijd heel wat verhalen verschenen over de bemoeienissen van koningin Beatrix met het regeringsbeleid die gemakkelijk als eigenzinnig kunnen worden gekwalificeerd. Maar wat zegt de huidige fractievoorzitter van de PvdA, Wallage, deze week in Elsevier als hij hiermee wordt geconfronteerd? “Het staatshofd is een levend mens, geen handtekeningenmachine.” Om zich vervolgens direct te verschuilen achter de gulden regel van de ministeriële verantwoordelijkheid.

Natuurlijk zijn de ministers de enig aanspreekbaren, maar dat laat onverlet dat er toch wel eens gesproken kan worden over de, zoals minister Van Mierlo het in Zuid-Afrika uitdrukte, “grijze zone” die inmiddels is ontstaan. Volgens de ongeschreven regels van het staatsrecht heeft de koningin het recht om aan te dringen en het recht om te waarschuwen. Het zijn rekbare begrippen en alleen de verantwoordelijke ministers kunnen de grenzen hiervan vaststellen. Maar wat vindt de Tweede Kamer van die grenzen?

Minister-president Lubbers zei enkele jaren geleden dat koningin Beatrix zeer actief van haar rechten gebruikmaakt. Nu is dat ook niet zo verwonderlijk, want Lubbers gaf haar volop de gelegenheid. Afgezien van de vaste maandagmiddagontmoeting ging hij vaak tussendoor nog even langs op Huis ten Bosch. En Lubbers vond het ook geen enkel probleem de koningin op te zadelen met de CDA-perikelen rondom de nieuwe partijleider Brinkman. Het was dezelfde Lubbers die zei dat er niet “te angsthazig” met de ministeriële verantwoordelijkheid moest worden omgegaan.

Dat is inmiddels de gegroeide situatie en niemand in de Tweede Kamer die er maar een serieus debat over wil beginnen. Illustratief was het debatje dat vorige week in de Tweede Kamer werd gehouden over de begroting van het departement van Algemene Zaken, waaronder het koningshuis valt. Het handjevol Kamerleden dat aan de begrotingsbehandeling meedeed, liep op eieren. Voor alles diende vermeden te worden dat zelfs maar de indruk kon ontstaan dat er één kritisch woord ten aanzien van het huis van Oranje werd gesproken.

Zo blijft de vraag of er in Nederland langzaam maar zeker iets van beatrixisme aan het ontstaan is, een buitenparlementaire vraag. Eigenlijk past het allemaal heel goed in de inmiddels gegroeide Nederlandse traditie. Ook ten aanzien van koningin Beatrix voeren we een gedoogbeleid. De echte discussie zal waarschijnlijk moeten wachten totdat het meisje van Willem Alexander zich aandient. Want met 'Het Huwelijk' is het immers in de jaren zestig ook allemaal begonnen.