Handwerk van Tesselschade-Arbeid Adelt; Voor beschaafde vrouwen

125 jaar geleden werd Arbeid Adelt opgericht, de eerste Nederlandse vrouwen- vereniging. Een jaar later zag een soortgelijk vereniging, Tesselschade, het licht. Het charitatieve handwerk van de in 1953 gefuseerde verenigingen wordt nog altijd in 'dépôts' verkocht.

Toekomst door Traditie, 125 jaar Tesselschade-Arbeid Adelt, door Vilan van der Loo. ISBN 90-6011-951-7. ƒ 49,50.

Voor inlichtingen over Tesselschade-Arbeid Adelt en adressen van depôts: 035-6918836 of 038-4445022.

Vrouwen hoeven zich al lang niet meer te schamen dat zij werken en daarmee geld verdienen. Eind negentiende eeuw was dat anders. Een vrouw uit de hogere klasse gaf leiding aan het huishouden en zat verder thuis bij de kinderen. Als ongehuwde vrouw zonder kinderen kwam Betsy Perk (1833-1906) tegen deze opgelegde beperking in verzet; zij richtte op 17 oktober 1871 - vandaag precies 125 jaar geleden - de eerste Nederlandse vrouwenvereniging op en gaf deze de veelbetekende naam Arbeid Adelt.

Perk, een nichtje van de dichter Jacques Perk, streefde naar economische onafhankelijkheid van vrouwen. Vrouwen dienden opgeleid te worden en daarna te werken om in hun eigen onderhoud te kunnen voorzien. Zelf had zij geen opleiding kunnen volgen. Zij had slechts geleerd een keurige canapee-engel te zijn.

De vereniging Arbeid Adelt stelde, zo staat in het jubileumboek dat is verschenen ter ere van het 125-jarig bestaan van de vereniging, 'beschaafde Nederlandse vrouwen' in staat te borduren en te breien voor geld. Arbeid Adelt verkocht het handwerk vervolgens in kleine winkeltjes. De handwerksters, zoals zij werden genoemd, bleven anoniem omdat werken voor geld een schande was. De vereniging beschikte ook over fondsen om vrouwen te laten studeren.

Nog geen jaar later, in 1872, splitste zich een groepje vrouwen af omdat zij het niet eens waren met het financiële beleid van Betsy Perk. Perk zou zelfs geld hebben achtergehouden. In Amsterdam werd een nieuwe vereniging opgericht: Tesselschade, naar de kunstzinnige en geëmancipeerde dochter van de rederijker Roemer Visscher uit de Gouden Eeuw. Tesselschade richtte zich vooral op opleidingen en werk voor vrouwen terwijl Arbeid Adelt zich voornamelijk inzette voor de handwerksters.

Omdat de verenigingen toch wel veel op elkaar leken en eigenlijk hetzelfde doel nastreefden, besloten zij 1953 weer samen te gaan. Elck sijn waerom waarmee Maria Tesselschade haar brieven ondertekende, werd het motto van de gefuseerde vrouwenvereniging Tesselschade-Arbeid Adelt (TAA). Bestuursters van TAA waren afkomstig uit de 'hogere kringen' van de maatschappij. Zij wilden met hun werk de 'onvermogende beschaafde vrouw' steunen. Beschaving was een breed begrip maar afkomst, algemene ontwikkeling, kennis van omgangsvormen en een bepaald taalgebruik waren voorwaarden om steun te geven of te krijgen.

De moeder van Annemarie van Otterloo was zo'n beschaafde vrouw. Zij stopte met werken toen Annemarie in 1959 werd geboren. Daarna was ze vooral thuis en verveelde ze zich. Arbeid Adelt liet haar borduurwerk doen en verkocht dat in het dépôt, zoals de winkels worden genoemd, van Utrecht. Annemarie werd op haar vijftiende ook officiëel handwerkster voor TAA.

Het niveau van de handwerksters was hoog; zij kregen verschillende koninklijke opdrachten zoals het borduren van de inhuldigingsjapon (1898) en later de trouwjapon (1901) van koningin Wilhelmina. Ook de kussens van zware Parijse zijde waarop prinses Juliana en prins Bernhard knielden tijdens de kerkelijke inzegening van hun huwelijk waren gemaakt door vier dames van de vereniging. In de eerste wereldoorlog werden sokken, buikbanden, bivakmutsen en polsmoffen voor het leger gebreid van wol die door de koningin was verstrekt. Alleen al in de afdeling Nijmegen van Tesselschade werden in 1916 door zestig vrouwen 4.214 paar sokken afgeleverd.

Een ander belangrijke taak van TAA was en is het scholen van vrouwen. Ook die vrouwen moesten vooral beschaafd zijn. Een enkele keer werd een beursaanvraag zelfs geweigerd omdat de kandidaat 'uit de verkeerde stand' kwam. Zoals het meisje dat geld vroeg voor de huishoudschool, maar niet werd toegelaten omdat haar vader hoefsmid was en haar moeder slechts linnenmeid.

Pas in 1970 verdween de toevoeging beschaafd uit de statuten omdat ècht onbeschaafde vrouwen zich volgens TAA, toch wel niet thuis zouden voelen bij de vereniging. De bepaling Nederlandse verdween niet uit de statuten al was er wel sprake van enige discussie onder de leden over het wel of niet toelaten van buitenlandse vrouwen als candidaten of handwerksters. Dat alleen Nederlandse vrouwen lid kunnen worden heeft volgens de verenigingsnotaris van TAA “niets te maken met discriminatie” maar is dat gebaseerd op de “historische wortels van de vereniging”. Tot op heden is het lidmaatschap nog steeds voorbehouden aan Nederlandse vrouwen. De vereniging wordt landelijk bestuurd en heeft 37 afdelingen met een eigen zelfstandig bestuur. Zij telt ongeveer 11.600 betalende leden. TAA krijgt haar middelen uit contributies, giften en legaten.

Tesselschade-Arbeid Adelt beschikt over drie fondsen waaruit opleidingen en financiële ondersteunigen worden gefinancierd. Uit het Betsy Perk-Opleidingsfonds worden jaarlijks zo'n 150 studiebeurzen betaald, het Henriëtte Beckfonds is bestemd voor zéér begaafde meisjes en het Zegers Veeckensfonds geeft oudere handwerksters die niet meer kunnen werken een toelage.

Annemarie van Otterloo kreeg uit twee fondsen geld. Zij volgde een gespecialiseerde fluitopleiding en had daar heel bijzondere boeken voor nodig die ze uit Engeland moest laten komen. De beurzen waren een welkome bijdrage. Geheel volgens de verenigingscultuur wordt het geld nooit gegireerd of via de bank overgemaakt, maar komen de bestuursters van de afdelingen naar de candidaten toe om hen persoonlijk het geld te overhandigen.

Omdat er steeds meer arbeidsplaatsen voor vrouwen zijn gekomen, is het verschaffen van werk niet meer de belangrijkste taak van TAA. Er zijn ongeveer 500 handwerksters die nog volop borduren en breien voor de winkels en dépôts in het land. Ook de fondsen blijken nog hard nodig. “Zolang we niet alle aanvragen kunnen honoreren gaan we door en heeft de vereniging blijkbaar betaansrecht”, aldus bestuurslid M. Bots-Van den Brink.