Er is te weinig vis voor zoveel visserij

'Visserij leidt blijkbaar niet tot een afname van de totale hoeveelheid vis', beweert Bert Keus van het Produktschap Vis NRC HANDELSBLAD, 12 oktober. Sterker nog, visserij zou zelfs tot een hogere visproduktie in zee leiden. De milieubeweging schetst volgens hem een onjuist doembeeld als zij overbevissing vergelijkt met in woestijnen veranderende tropische regenwouden.

De visie van Keus is daarentegen nauwelijks hoopgevender. Die komt er op neer - om in de analogie van het bos te blijven - dat de bomen weliswaar allemaal gekapt worden, maar er struiken en gras voor in de plaats komen. Die groeien sneller en zijn ook groen.

De wereldvisproduktie daalt wel degelijk. Want terwijl het aantal vissersschepen toeneemt en de vangsttechnieken steeds verbeterd worden, blijft de totale visvangst van de wereld al sinds 1989 ongeveer gelijk, zo blijkt uit hetzelfde FAO-rapport dat Keus aanhaalt. Dit betekent dat de visproduktie in de oceanen aan het afnemen is. De toename van vangsten uit de Noordzee, waar Keus het over heeft, zegt dan ook niets over de produktie van de zee. Een goede visser weet natuurlijk waar hij de vis moet zoeken. Maar de haringvissers moeten op dit ogenblik al stevig boeten voor die vaardigheid. Omdat de vis zogenaamd niet op kon, is de haringstand nu zo teruggelopen dat de EU een halvering van het quotum moest afkondigen.

Het volgens Keus zo 'heldere' onderscheid van de visserijbiologen tussen verschillende soorten overbevissing lijkt meer op het aanleggen van rookgordijnen onder water. Groei-overbevissing wordt vaak geaccepteerd vanuit het idee dat het prima is dat geen enkele kabeljauw zijn tiende verjaardag haalt omdat ze zich toch al vanaf drie of vier jaar kunnen voortplanten. Maar van een evenwichtige verdeling van vis over de verschillende jaarklassen is dan geen sprake meer. Het voortbestaan van de populatie is daarmee afhankelijk van een paar jaarklassen. Niet alleen biologisch maar ook economisch is dit verre van ideaal, want de grote dure vissen zitten niet meer in de vangst.

Voor veel commercieel interessante vissoorten in de Noordzee is sprake van groei-overbevissing, stelt Keus. Maar hij vergeet te zeggen dat er voor haring, schol, kabeljauw, schelvis en koolvis zelfs sprake is van recruitment-overbevissing. De hoeveelheden volwassen dieren van deze soorten liggen ver beneden de minimum-niveaus die een gezond voortbestaan garanderen, zo waarschuwen onderzoeksinstituten zoals het RIVO in IJmuiden al enkele jaren.

Duurzaam hogere vangsten in de toekomst zijn alleen mogelijk door herstel van de visbestanden en beheerste visserij. Maar de daarvoor benodigde vangstverlaging op de korte termijn werkt alleen als iedereen meedoet. Daarmee is overbevissing inderdaad een sociaal-economisch probleem, maar met een biologische oorzaak. Er is gewoon te weinig vis voor zoveel visserij. In plaats van te proberen dit probleem op te lossen zetten de vrije jongens van de zee, met het Produktschap Vis voorop, de oogkleppen op en duiken als lemmingen de afgrond in.