Eigenlijk is de zon onze motor

Zweefvliegen, dat is pas echt vliegen, vinden de liefhebbers. Nederland telt zo'n vijfduizend zweefvliegers. Zij vormen een vergrijzende populatie. De jeugd gaat liever bungee-jumpen.

Een hogedrukgebied bepaalt het weer boven Nederland. Dit had Teletekst in de 'briefingroom' van restaurant 'De Thermiekbel' op deze vroege septemberochtend al gemeld. En inderdaad, recht vooruit kun je helemaal tot aan Rheden kijken, op links schemeren de Veluwerandmeren door de heiige onderste luchtlaag. “En op zeven uur kun je Zwolle zien”, klinkt Tom van Doormaal vanuit de achterste kuipstoel van de PH-687. “Eens kijken of we daar nog wat thermiek kunnen pakken”, en hij drukt de neus van het tweezits zweefvliegtuig in de richting van een stuk kale heide, recht achter het wildviaduct over de drukke A12.

Het zweefvliegtuig is twintig minuten eerder met een krachtige kabellier vanaf het vliegveld Terlet in de nabijheid van Arnhem steil omhoog getrokken naar een hoogte van zo'n halve kilometer. Op het moment dat de kabel loskomt, valt de zwaartekracht even weg en glijdt mijn maag m'n keel in. Maar dan is er slechts het ruisen van de wind langs de gestroomlijnde romp. Dit is vliegen, zoals vliegen bedoeld is.

Van Doormaal stuurt het toestel van de ene opwaartse warme luchtstroom naar de andere. “De zon is eigenlijk onze motor,” aldus deze 51-jarige zweefvliegende politicoloog, die inmiddels meer dan zevenduizend vluchten op zijn naam heeft staan. We zijn niet de enigen in het Veluwse luchtruim. Onder en boven ons cirkelen, al hoogte winnend, nog een paar van de slanke, witte toestellen boven de paar plekken met thermiek. Als ooievaars op herfsttrek.

In Nederland beoefenen volgens de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart, KNVVL, tussen de vier- en vijfduizend mensen de zweefvliegsport. Bij elkaar maken zij per jaar ongeveer 170.000 starts en landingen. Verspreid over het land zijn zo'n dertig zweefvliegvelden te vinden. Het Nationale Zweefvliegcentrum bij Terlet is daarvan het grootste.

Op mooie dagen met de klok mee rondjes draaien boven Texel, Zuid-Beveland of de Veluwe is volgens de Terletse piloten bij lange na niet het enige vertier van het zweefvliegen. Bij ècht mooi weer kan vanaf de thuisbasis boven heel Nederland worden gevlogen - 'gezweefvliegd', zoals dat in jargon heet. Van Doormaal: “Het weekend van de één-en-twintigste juli heb ik op zaterdag een parcours afgelegd van ongeveer 300 kilometer en de volgende dag zelfs een tocht van meer dan 500 kilometer. Door het schitterende weer konden we helemaal tot boven Tilburg komen, diep Duitsland in en daarna tot diep in Drenthe. We moesten echt terug om voor donker nog Terlet te vinden.”

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, gelden voor het behalen van een zweefvliegbrevet minder strenge normen dan voor aspirant-piloten van gemotoriseerde vliegtuigen. Een bril mag en er geldt alleen een leeftijdsgrens van 14 jaar.

Maar ondanks deze soepele toelatingseisen gaat het volgens Van Doormaal niet zo goed met de zweefvliegerij in Nederland. “We hebben te kampen met een vergrijzend ledental doordat het spannende imago is gaan verbleken bij dat van nòg opwindender liefhebberijen. De hedendaagse jeugd gaat liever ergens anders de kick of kicks halen, zoals bij bungee-jumpen of parachutespringen.”

Toch is zweefvliegen wel degelijk spannend te noemen: elk jaar weer zijn er heel wat zweefvliegtuigen die om uiteenlopende redenen de thuisbasis niet kunnen halen. Die moeten dan een noodlanding maken in een akker. Ook de verhalen over vliegen in de Alpen klinken enerverend: je moet de bergen goed kennen en vaak is een zuurstofmasker nodig.

Is zweefvliegen gevaarlijk? Volgens de vliegers op Terlet niet. Ze wijzen erop dat in Nederland in de laatste halve eeuw in totaal maar een tiental ongelukken heeft plaatsgehad. Hoeveel bijna-ongelukken er zijn geweest, valt niet bij benadering te zeggen. Van Doormaal heeft er nog maar eentje meegemaakt. Maar dat was wel een heel onaangenaam voorval. “Ik vloog op 800 meter op een plaats waar ook militaire vliegtuigen oefenden. Op een gegeven moment vloog vlak voor mijn neus een F-16 langs. Met een rotgang. Die piloot had me natuurlijk niet gezien: zweefvliegtuigen zijn hoofdzakelijk van plastic, dus op de radar zie je ze niet. Bovendien vliegen ze zo hard dat de waarschuwingstijd praktisch nul is.”

Het enthousiasme voor het vliegen was even helemaal bekoeld. “Ik wist niet hoe snel ik weer terug naar Terlet moest komen.” Dit soort risico's zijn structureel: bij militaire oefeningen delen zweefvliegtuigen en militaire kisten een stuk van het luchtruim. “Tegenwoordig zijn er gelukkig steeds minder oefeningen. En door het inbouwen van GPS satellietnavigatie kunnen we steeds veiliger vliegen,” aldus Van Doormaal.

De hoogtemeter geeft aan dat we nog maar zo'n 250 meter boven de hei zitten. Die is hier op sommige plaatsen pokdalig; het resultaat van de vele granaatinslagen ten tijde van de Slag om Arnhem, 52 jaar geleden - het toeval wil dat bij die veldslag de meeste zweefvliegtuigen uit de geschiedenis werden ingezet.

Van Doormaal manoeuvreert de PH-687 in een vaste aanvliegroute naar de met gras begroeide landingsstrip. Rechtsbeneden ligt het veld er vrij bij. Met een korte bocht komen we recht voor de strip uit, de remkleppen komen uit de vleugels en even later hobbelen we over de stoppels. Van Doormaal zit vijf minuten later al weer in de lucht.