Blaaskakerig

Iemand de waarheid zeggen is een kunst. Iemand beledigen een kunde. Wie zich daarin geen meester weet, of vreest de kous op de kop te krijgen, is aangewezen op banaal geluk: soms helpt het toeval je dingen zeggen die in normale omstandigheden nooit over je lippen zouden komen.

Een zaterdagmorgen in bodega Keyzer, naast het Amsterdamse Concertgebouw. Als ik bij het als altijd nerveuze begin van een interview mijn rituele sigaar wil opsteken, ontdek ik tot mijn ergernis dat de doos havanna's thuis ligt. Mijn gesprekspartner excuseert me; ik mag door de draaideur naar buiten stormen om op zoek te gaan naar een rokertje. Linksaf. Een etalage vol klassieke cd's, dan een prijzige kledingwinkel, nóg een kledingwinkel - ah, een sigarenmagazijn.

“Goeiemorgen. Hebt u voor mij een doosje havanna's? Gewone La Paz ofzo. Voor mijn part huismerk, miskleur, maakt niet uit.”

Tegenover de verslaggever begint een heer in een gedistingeerd Armani-achtig pak aan een lange uiteenzetting. Mag hij me iets aanbevelen? Davidoff! Ken ik het delicate maar tegelijkertijd diepe en donkere bouquet van die sigaar? Weet ik hoe verfijnd en weldadig ...

Mijn horloge brandt aan mijn pols. “Ik heb eerlijk gezegd niet zoveel tijd.”

Nou, geen enkel probleem, geen enkel probleem! Het hele verhaal vergt maar een minuutje. Kijk, de tabak die voor Davidoff-sigaren wordt gebruikt komt van de allerbeste plantages. Vakmensen wijden zich met zorg aan de teelt, en ...

“Het spijt me”, zeg ik. “Ik moet er zo snel mogelijk vandoor.”

Zeker, goed, natuurlijk, maar weet ik dat men zich voor een gulden of vijfentwintig al eigenaar mag noemen van tien kleine Davidoff-sigaartjes? Ongelofelijk, niet? Zeg nou zelf, dat is toch ...

Mijn ongeduldige brein begint te schuimen. Ik eis doodsimpele Hollandse havannaatjes, en wel nu. Opgewonden voeg ik eraan toe Davidoff al jaren een overschat, overpriced en van blaaskakerige reclameteksten aan elkaar hangend merk te vinden voor decadente quasi-kenners die zich connaisseurs achten. “Een jaar of wat geleden stond er een vraaggesprek met Zino Davidoff in Avenue”, hoor ik mezelf zeggen. “Vreselijk. De fabrikant vergeleek tabaksprodukten met vrouwen. Vond dat Nederlanders absoluut geen weet hebben van een goede sigaar, en liet zich betitelen als Groothertog van het Genot.”

De adrenaline kolkt in mijn aderen. Ik ben niet meer te houden, ik ratel door. “Ondertussen betrok hij zijn tabak van de Cubaanse overheid, was hij goede maatjes met ministers van Fidel Castro, en verkondigde hij trots dat de dictator zelve zijn sigaren rookt. Sorry, ik heb geen zin om zo'n man te sponsoren.”

Het is stil geworden achter de toonbank. Als ook ik er eindelijk het zwijgen toe doe, klinken slechts de voetstappen van het gesoigneerde personeelslid richting een rek corona's, tuitknakken en cigarillo's. Vijf tellen later liggen mijn Hollandse havannaatjes naast de kassa. Ik reken af, loop opgelucht de zaak uit en draai me op de stoep nog even om: waar ben ik in de haast eigenlijk naar binnen geschoten? Op de gevel staat met koeienletters: 'TABAKSSPECIAALZAAK DAVIDOFF'.